Regina Esser, de vijfde dappere dame

Twee jaar na afloop van de Tweede Wereldoorlog ontving de 46-jarige wijkverpleegster Regina Esser op 18 juli 1947 uit handen van prinses Juliana de unieke Florence Nightingale Medaille. Wie was zij en waarom kreeg ze deze hoge onderscheiding?

Insigne met het Lotharings Kruis, symbool  TBC-bestrijding

Mej. Zuster R. M. Esser te Baarlo

Regina M. Esser (1901-1987) is geboren in het Gelderse Alem aan de Maas. In de katholieke familie Esser was een carrière in de verpleging gebruikelijk, want ook twee van haar broers – paters Redemptorisen – werkten in de psychiatrie. Hoewel niet bekend is in welk ziekenhuis Regina het verpleegstersdiploma haalde, moet het ergens in de jaren ‘30 haar geweest zijn. Ze haalde ook de kraamaantekening, wat haar later goed van pas zou komen. Na haar diplomering deed zuster Esser een vervolgopleiding aan de Rooms-Katholieke School voor Maatschappelijk Werk te Sittard. In augustus 1940 behaalde ze daar met vijftien religieuze zusters het diploma Huisbezoekster bij de Tuberculosebestrijding. Deze opleiding, georganiseerd door de Nederlandsche Centrale Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose, werd vooral gevolgd door wijkverpleegsters, die immers veel in aanraking kwamen met tuberculosepatiënten. Regina stond op de examenlijst vermeld als Mej. Zuster R. M. Esser te Baarlo.

Regina Esser met baby

Op een wrakke fiets door de mijnenvelden

Tussen 1943 en 1946 woonde Regina Esser in het Limburgse Nederweert, in die tijd een redelijk groot dorp met zo’n 7000 inwoners. Volgens overlevering was ze in die periode docente kraamverpleging en leidde ze meisjes op, waarschijnlijk tot kraamzorgverzorgster.

Bedankbriefje van een student aan zuster Esser

Tijdens de bevrijding van Nederweert in 1944 stagneerde de frontlinie en werd Nederweert in tweeën gesplitst. De westkant was eind september door de Engelsen bevrijd, maar het oostelijk deel – de dorpen Ospel, Eind en Leveroy – bleef tot eind november bezet door de Duitsers. Het tussenliggende gebied was niemandsland waar nog veel mensen in huizen en boerderijen woonden. Bewoners werden gedurende zes weken belaagd met bombardementen en zaten klem tussen vuurgevechten. Tot overmaat van ramp woonden de huisarts en vroedvrouw in het Britse gedeelte van het dorp, waardoor ze geen enkel contact met hun patiënten hadden. Zuster Esser, die beschikte over veel ervaring, nam hun taken zo goed en zo kwaad als het kon, over. Hoewel ze gewaarschuwd was voor de gevaren, weerhield dat haar er niet van om op een wrakke fiets op pad te gaan om hulp te verlenen. Met een tas vol verbandmiddelen en medicijnen, die ze kon afhalen bij het Groene Kruisgebouw in Ospel, riskeerde ze de gevaarlijk tocht in een gebied vol landmijnen. Ze verbond gewonde burgers en soldaten van wie de ledematen afgerukt waren, nadat ze op een projectiel hadden gestapt en hielp zeven zwangere vrouwen bij de bevalling. Als dat geen medaille waard is!

Zuster Esser bekijkt haar medaille. Links van haar Leintje Jobse, rechts Zuster Stephania

Een welverdiende beloning

Het is vanwege dit ongelofelijk dappere optreden dat Regina Esser voorgedragen werd voor de Florence Nightingale Medaille. Ze was als wijkverpleegster in dienst van het Groene Kruis, dat in 1947 op verzoek van het Rode Kruis naarstig op zoek was naar kandidaten voor de medaille. Of waren het misschien de huisarts en de vroedvrouw die haar hadden voorgedragen? Dat Regina Esser uitgekozen werd, was gezien haar staat van dienst niet verwonderlijk. Zelf kreeg ze het bericht op 12 mei 1947 te horen en op 2 juli ontving ze de brief met de officiële uitnodiging om op vrijdag 18 juli in het gebouw van de Pulchri Studio te ’s-Gravenhage de medaille in ontvangst te nemen uit handen van prinses Juliana. Of zuster Esser blij was met deze erkenning? Vast wel, maar voor haar was het een zware tijd, want ze was al sinds januari 1946 niet meer in staat om te werken. Ze was geestelijk zo geschokt door de gebeurtenissen die ze in relatief korte tijd had meegemaakt, dat ze een zenuwinzinking had gekregen en voor onbepaalde tijd absolute rust kreeg voorgeschreven van de huisarts.

Samen met vier andere kandidaten ontving Regina Esser uit handen van prinses Juliana de Florence Nightingale Medaille. Helaas was de burgemeester van Nederweert er niet bij wegens drukke werkzaamheden. Hij had zich afgemeld met de woorden: ‘als ik haar tegenkom, zal ik haar feliciteren’. Na de toespraak van de prinses, die uitvoerig het belang van de medaille benadrukte, kreeg Regina Esser hem als derde van de vijf heldinnen opgespeld.

Op bijgaande foto is te zien hoe de prinses hem opspeldt bij zuster Stephania, terwijl Regina het kleinood met trots bekijkt.

De Florence Nightingale van de Peel

De Florence Nightingale van de Peel

Nog geen maand na de feestelijke uitreiking van de medaille bezoekt een journalist van het Algemeen Dagblad Regina Esser. Hij treft haar aan in de pastorie van de Heilige Augustinus aan de Postjesweg in Amsterdam. Een van haar broers geeft haar daar onderdak, want Regina kan zichzelf niet meer onderhouden. Ze is sinds maart van dat jaar ontslagen bij het Groene Kruis en geen inkomsten meer. Regina leidt al anderhalf jaar een zwervend bestaan van het ene zorgzame familielid naar het andere. De journalist beschrijft Regina Esser als een vrouw met heldere ogen, een vriendelijk gezicht en licht grijzend haar. Ze komt op hem over als vriendelijk, bescheiden en met een schuchtere lach. Als hij vraagt hoe het met haar gaat, vertelt ze dat ze het liefst weer snel aan het werk zou gaan. Ze vertelt nog een keer wat ze allemaal heeft meegemaakt en hoe depressief ze uit deze ellendige periode is gekomen. Aan het eind van haar verhaal zegt ze verlegen: ‘schrijft u er naar niet te lang over, het is al zo lang geleden’.

De journalist vraagt haar nog of de overheid haar nog een toelage gaat geven, want ze is immers werkeloos en heeft geen pensioen. Regina hoopt dat de Stichting ’40-‘45 nog iets voor haar kan betekenen, maar ‘u weet hoe het gaat met al die ambtenarij, daar zit hier niet zoveel schot in’. De journalist vindt het een schande dat iemand met zo’n verleden afhankelijk is van liefdadigheid.

Direct na de publicatie van dit interview melden lezers van de krant zich bij de redactie en geven aan dat ze willen doneren voor zuster Esser. Op 14 augustus start het Algemeen Dagblad  de Actie Zuster Esser met gironummer 284800. Inmiddels is bekend geworden dat de Stichting ’40-’45 niets voor Regina Esser kan betekenen, ze ondersteunen alleen aanvragen van ondergrondse illegale activiteiten. Het Algemeen Dagblad is hier woedend over en verwijt de Stichting dat ze te krampachtig hun statuten naleven. Voor hen is het blijkbaar: ‘Exit zuster Esser!’. De krant laat de geldinzamelingsactie nog open tot 15 september.

Nog decennialang is verpleegkundige Regina Esser nog afhankelijk van haar familie, die haar met liefde opvangt. Haar laatste jaren verblijft ze in een bejaardentehuis in Eindhoven, waar ze in 1987 overlijdt.

Met dank aan Ans de Wijk, nicht van Regina Esser, die foto’s van haar beschikbaar heeft gesteld.

Literatuur

  • Katholieke Gezondheidszorg (1940) p. 134.
  • ‘Florence Nightingale van Budschop en Ospel’ door Alfons Bruekers
  • ‘Vergeten heldin moet aankloppen bij haar familie. Zuster R. M. Esser: de Florence Nightingale van de Peel’ (Algemeen Dagblad, 12 augustus 1947)
  • ‘Actie voor Zuster Esser’ (Algemeen Dagblad, 14 augustus 1947)

 

 

Dr. Nurse

Cover van Dr. Nurse

Hoewel dit boek al sinds 2022 op de markt is, verdient het absoluut extra aandacht. De auteur is Dominique A. Tobbell, distinguished Professor of Nursing and director of the Eleanor Crowder Center for Nursing Historical Inquiry at the University of Virginia. In Dr. Nurse. Science, Politics and the Transformation of American Nursing laat Tobbell zien dat de opleiding van verpleegkundigen na de Tweede Wereldoorlog aan vernieuwing toe was. De discussie gaat vervolgens over de vraag of het wel noodzakelijk is om verpleegkunde als academische wetenschap te beoefenen.

Tobbell analyseert op basis van gedegen archiefonderzoek van beroepsorganisaties en overheidsrapporten hoe verpleegkundigen proberen een wetenschappelijke identiteit op te bouwen. Hiermee geeft Dr. Nurse een uitstekende historische analyse van de professionaliseringsdiscussie binnen de Amerikaanse verpleegkunde van de afgelopen anderhalve eeuw. Verpleegkundigen moesten vechten om te laten zien dat ze meer waren dan het hulpje van de medicus. Overtuigend laat Tobbell ook zien dat de ontwikkeling van de ‘Dr. Nurse’ – dus de academisch gevormde verpleegkundige –niet alleen voortdurend botste met de financiering maar ook met de regelgeving van de Amerikaanse gezondheidszorg. Ook was er de spanning tussen opleiding en praktijk, omdat ziekenhuizen het dagelijkse verpleegwerk liever door goedkopere leerling-verpleegkundigen lieten doen.

Uitreiking PhD Degree

In de conclusie laat Tobbell laat zien, dat de overgang van ‘professed’ naar ‘trained nurses’, en later naar academisch gevormde verpleegkundigen, als een langzaam maar cruciaal proces voor de status van de beroepsgroep moet worden gezien.

Een vergelijking tussen Amerika en Nederland laat zien dat de discussie over de studie verplegingswetenschap hier eenzelfde ontwikkeling heeft doorgemaakt, zij het twintig jaar later. Uiteraard was de context in beide landen verschillend – zo speelden raciale problemen hier geen rol – maar de weerstand tegen academisering van de verpleegkunde was hetzelfde.

Het project ‘Doctor-Verpleegkundigen’, momenteel uitgevoerd door de KU te Leuven te België, gaat ongetwijfeld meer inzicht geven in de problemen waar Nederlandse en Vlaamse gepromoveerde verpleegkundigen mee te maken kregen en krijgen tijdens hun carrière. Dit project staat onder leiding van prof. dr. Theo van Achterberg in samenwerking met prof. dr. Lisette Schoonhoven en prof. dr. Tinne Maes en wordt mede gefinancierd door de Stichting Zuster Vernède. Wil je meer over dit project weten, kijk dan naar een korte samenvatting op https://zustervernede.nl/projecten/

 

 

 

Wie wint de Vernède Scriptieprijs 2027?

Zuster Vernède

De Stichting Zuster Vernède reikt in 2027 weer de tweejaarlijkse Vernède Scriptieprijs uit. Het doel van deze prijs is studenten te stimuleren wetenschappelijk onderzoek te doen naar de geschiedenis van verpleging of verzorging. Dat onderzoek is belangrijk voor de groei van het vak en de Stichting wil dit graag belonen.

Document Vooropleiding (1923)

Zuster Vernède, pionier op diverse terreinen

Deze Vernède Scriptieprijs is vernoemd naar Catharina Helena Vernède (1875-1957), een van de eerste docente-verpleegkunde in Nederland. Ze werkte onder leiding van de bekende Frederike Meijboom in het Bergweg Ziekenhuis te Rotterdam in de jaren ’20 van de vorige eeuw. Daar zette ze in 1923 een ingenieuze vooropleiding voor verpleegsters op touw, die voor veel andere ziekenhuisopleidingen als voorbeeld diende. Toen ze wegens gezondheidsproblemen in 1925 moest stoppen, besloot ze een boek over de geschiedenis van de verpleging te schrijven. Geschiedenis der Ziekenverpleging kwam er in 1927 op de markt en kon rekenen op een euforische ontvangst. Bij alle opleidingen stond het op het lesprogramma. Vernède had zich laten inspireren door het bekende Amerikaanse duo Nutting en Dock met hun A History of Nursing. Vernède’s boek was het eerste serieuze werk over de geschiedenis van de verpleging, al kwam de Nederlandse geschiedenis er nog bekaaid vanaf. Dat herstelde ze in 1950 met een aangescherpte variant De ziekenverpleging. Roeping en beroep. Al met al reden genoeg om de Vernède Scriptieprijs naar deze pionier op het gebied van de geschiedschrijving van de verpleging naar haar te vernoemen.

Prijsuitreiking Tim Debroyer (2022)

Eerdere winnaars

De eerste Vernède Scriptieprijs werd in 2022 uitgereikt aan Tim Debroyer (KU Leuven) voor zijn masterscriptie Het einde van tuberculose? Behandelingen en patiëntenervaringen in het Sanatorium Elisabeth te Sijsele (1945-1986). Hierin vraagt hij zich af welke rol verpleegkundigen speelden bij de behandeling van tuberculosepatiënten.

Prijsuitreiking Marlies Couch (2025)

In 2025 mocht Marlies Couch (UVA) de prijs in ontvangst nemen met de scriptie getiteld She procured a couple of Chirurgions”: unearthing social and medical care for survivors of sexual violence from the Old Bailey Proceedings, 1674-1800. De gebruikte onderzoeksmethode – de zogenaamde verb- or task-oriented method – maakt de onzichtbaarheid van care door vrouwen in de vroegmoderne samenleving zichtbaar.

Jury en uitreiking van de scriptieprijs

Handtekening Catharina Vernède

Een onafhankelijke jury van vier personen met kennis op het terrein van de verpleegkundige-, de historische- en de medische disciplines beoordeelt de scripties. De uitreiking van de prijs – €1000 euro en een oorkonde – vindt plaats tijdens de voorjaarsbijeenkomst van History Health Healing, the Dutch medical history network op een nader te bepalen locatie en tijdstip. Tijdens deze bijeenkomst heeft de winnaar de mogelijkheid de scriptie aan een breed (internationaal) publiek te presenteren.

Meer weten over de voorwaarden om deel te nemen, de procedure en de samenstelling van de jury? Kijk dan hier: https://zustervernede.nl/scriptieprijs

 

 

De identiteit van de Z-verpleegkundige

Gediplomeerden insigne Federatieve Opleiding Zwakzinnigenzorg, vanaf 1978

Zorgen voor mensen met een verstandelijke beperking is van alle tijden, net als het verplegen van zieken. Het gaat om mensen met beperkte verstandelijke vermogens, een kwetsbare groep die niet of moeilijk voor zichzelf kan zorgen. Voor hen moeten wij dus zorgen. Dat doen momenteel zo’n 30.000 verpleegkundigen en verzorgenden.

Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw bleven zwakzinnigen, zoals de groep lang genoemd werd, net als krankzinnigen, meestal thuis waar de eigen familie of religieuze zusters hen verzorgenden. Een bijzondere vorm van gezins- of thuiszorg was bijvoorbeeld het Belgische Geel, waar eeuwenlang ‘zwakken van geest’ zijn opgevangen bij gezinnen thuis. Er waren ook kostgezinnen die ‘zwakzinnigen’ in huis namen om ze in te zetten om allerlei klusjes te doen, waarbij misbruik op de loer lag. Voor diegenen die een gevaar voor zichzelf of voor anderen vormden, waren er dolhuizen, uiteraard geen aantrekkelijk alternatief. In alle situaties was ‘oppassen en bewaking’ het uitgangspunt.

Leerling-insignes van Huize Boldershof (ca.1960). Rood: 1ste jaars, blauw 2de jaars en groen, 3de jaars leerlingen

’s Heeren Loo in Ermelo

In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden gestichten voor psychiatrische patiënten, waar ook ‘zwakzinnigen’ een onderkomen kregen. Van het verzorgend personeel in deze gestichten werd verwacht dat ze ‘zachtmoedig, vriendelijk en tactisch’ waren. Onder invloed van de medische wetenschap verschoof het doel van ‘oppassen en bewaking’ naar verbetering of zelfs genezing. Veel patiënten bleken niet te genezen en door het groeiend aantal opnames raakten de gestichten overvol. Psychiaters pleitten daarom voor aparte opvang voor mensen met een verstandelijke beperking.

Z-verpleegkundige Cornelia Pielkenrood begeleidt spelende kinderen

Na de oprichting van de ‘Vereeniging tot opvoeding en verpleging van geesteszwakke kinderen’ (1890) kwamen er diverse inrichtingen speciaal voor deze groep. In 1891 opende de protestantse instelling ’s Heeren Loo in Ermelo de poorten. Deze inrichting was als eerste in Nederland specifiek op ‘idioten’ gericht, terwijl ook voldaan werd aan de eisen voor een geneeskundig gesticht. Er volgden meer instellingen waar opvoeding en onderwijs centraal stonden, zoals o.a. Lozenoord, de Dr. Mr. Willem van den Bergh-Stichting, Huize Boldershof, Huize Assisië, Groot-Schuylenburg en Huize Maria Roepaan. Ze richtten zich meestal eerst alleen op kinderen, maar al snel ook op volwassenen. Orde, rust en regelmaat waren van belang voor een evenwichtige leefwijze. Arbeid had een heilzame invloed en volwassen bewoners leverden een bijdrage aan de dagelijkse werkzaamheden in de inrichting. De herziening van de Krankzinnigenwet in 1904 maakte vrijwillige opname mogelijk, maar opvang thuis bleef tot in de jaren ‘50 belangrijk. In 1955 zijn er zestien inrichtingen waar mensen met een beperking verzorging krijgen.

ADO speelgoedauto

Opvoeding en arbeid

De mogelijkheden voor buitengewoon onderwijs namen in de eerste helft van de 20e eeuw toe. Als gevolg daarvan hadden ouders minder reden om hun ‘achterlijke’ kinderen naar een inrichting te sturen. In die instellingen daalde daardoor het ‘verstandelijk peil der nieuw-opgenomen leerlingen’. Het lespakket binnen inrichtingen verschoof van ‘gewichtige leerboekenwijsheid’ naar handenarbeid. Onderwijzers gaven oefeningen in groepsverband en op muziek, waarbij ze rekening hielden met de mogelijkheden van de leerlingen. Ook de fijne motoriek kreeg aandacht. Mattenvlechten, weven, kousenstoppen en plantjes verspenen zouden een positieve invloed hebben. Bekend werd het ADO kinderspeelgoed, dat in de jaren ’30 gemaakt werd in de sociale werkplaats van Berg en Bosch bij Apeldoorn. Het ADO speelgoed – Arbeid Door Onvolwaardigen – was erg populair vanwege de felle kleuren en strakke lijnen.

Diploma Zwakzinnigenzorg van Johanna Raben (1962)

De eigen identiteit van de Z-verpleging

De vraag is nu wie de ‘zwakzinnigen’, behalve de eigen familie, verzorgden. Vanaf 1921 was de B-opleiding voor het verplegen van psychiatrische patiënten wettelijk geregeld. Daar viel ook de verzorging en verpleging van ‘zwakzinnigen’ onder. Na de Tweede Wereldoorlog was er een groot tekort aan opvangplekken voor deze groep en ontstond er behoefte aan een aparte opleiding. In 1957 startten een aantal directeuren van zwakzinnigeninrichtingen met het initiatief. Leerling-verpleegkundigen konden een interne opleiding volgen, gebaseerd op medische inzichten. Er kwam een leerplan met aandacht voor zowel de medisch-psychiatrische als pedagogische- en verpleegkundige aspecten. In 1961 ontvingen de eerste verpleegkundigen het Z-diploma. Maar het moest professioneler. En dus begon de Internationale Werkgroep Z-erkenning in 1973 met de voorbereiding van een regeling voor de Z-opleiding. Het leerplan van de Z-opleiding werd met de Regeling Opleiding Diploma Z-Verpleegkundige in 1978 bekrachtigd en gold de officiële erkkning van het diploma met terugwerkende kracht tot 1961. De Z-opleiding was op dezelfde manier georganiseerd als de A en de B, namelijk via het Inservice-systeem. Het theoretisch onderwijs bevatte op dat moment 480 lesuren, met veel aandacht voor somatische en agogische vakken.

De ‘cola dop’, nieuw insigne voor Z-verpleegkundige (1976)

Professionalisering van de Z-verpleegkundige

Aangezien hun opleiding relatief laat tot stand kwam, waren creativiteit en improvisatie sleutelbegrippen voor Z-verpleegkundigen. Liefde voor mensen – en met name voor kwetsbare groepen – deed de rest. Z-verpleegkundigen beschrijven hun werk als zinvol en zwaar. Zinvol, omdat ze angst en eenzaamheid in ieder geval deels weg  kunnen nemen en veiligheid kunnen bieden. Hierdoor kunnen cliënten veranderen in ongecompliceerde en blije mensen. Zwaar omdat er een grote verantwoordelijkheid op hun schouders rust en het werk vaak lichamelijk inspannend is. Dat vroeg ook om verdieping van het vakgebied en meer aandacht voor leidinggevende posities.

In 1979 opende de Katholieke Hogere School voor Verpleegkunde (KHSV) in Nijmegen de mogelijkheid om een kaderopleiding te volgen voor leidinggevende functies in de zwakzinnigenzorg. Deze parttime opleiding omvatte 502 lesuren met vakken als organisatiekunde, managementprocessen, orthopedagogiek en agogiek. De cursus werd afgesloten met een scriptie en een mondeling examen.

In 2004 constateerde de toenmalige beroepsvereniging ‘Werveling’ dat cliënten met een verstandelijke beperking twee keer zo veel medische problemen hebben als de rest van de bevolking. Tegelijkertijd constateerde men dat de ‘medische blik’ langzaamaan uit de zwakzinnigenverpleging was verdwenen. Mensen met diverse soorten agogische opleidingen hadden hun intrede gedaan. ‘Werveling’ pleitte voor de inzet van gespecialiseerde verpleegkundigen vanwege de complexe gezondheidsproblemen van de doelgroep.

Inmiddels gaat Werveling door het leven als ‘V&VN Verstandelijk Gehandicaptenzorg’ en zijn in 2025 ruim 30.000 verpleegkundigen en verzorgenden in de sector werkzaam.

Literatuur

  • Zin der zotheid. Vijf eeuwen cultuurgeschiedenis van zotten, onnozelen en zwakzinnigen door Inge Mans
  • Gezinsverpleging van geesteszieken te Geel door M. H. Koyen
  • Armen van geest door Theo Jak
  • Om het geluk van de zwakzinnige. De geschiedenis van Dennendal, 1969-1994 door J.J. Dankers en A.A.M. van der Linden

 

De zoektocht naar medaille-kandidaten

Nederland was knap laat met het uitreiken van de eerste Florence Nightingale Medaille. In 1935 kreeg Ailke Westerhof hem en twee jaar later Adrie Schipper. Na de Tweede Wereldoorlog ontvingen maar liefst vijf verpleegsters in 1947 tegelijk de prestigieuze medaille. Maar hoe kwam het Rode Kruis tot de keuze van deze vijf? Een interessant inkijkje in de zoektocht naar kandidaten!

Dit boek gaat over de emancipatie van honderdduizenden vrouwen. De verpleging was vanaf 1850 lange tijd een van de weinige beroepen, waarmee ze een bestaan konden opbouwen. Zij verdienen het om een gezicht te krijgen. Met veel beeldmateriaal, kaders met interessante weetjes, voorzien van noten en literatuur, vertel ik in dit boek de meeslepende geschiedenis van een onmisbare beroepsgroep.

Officiële motivering door het Internationale Rode Kruis

Met spoed op zoek

Tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 wilde het Nederlandse Rode Kruis geen medaille uitreiken, want dat conflicteerde met hun neutrale status. Stel je voor dat een Duitse verpleegster aanspraak op de medaille zou maken! Eind 1946 kwam daar met een rondschrijven van het Internationale Comité van het Rode Kruis verandering in. De 11de toekenning van de Florence Nightingale Medaille zou plaatsvinden op 12 mei 1947. Dat betekende dat er met spoed kandidaten gezocht moesten worden. Op 11 december 1946 stuurde het dagelijks bestuur van het Rode Kruis een brief naar alle kringcommissarissen met het verzoek vóór 1 maart 1947 met een voordracht van kandidaten te komen. In de brief benadrukte de directie dat er tijdens de oorlogsjaren vast en zeker verpleegsters en helpsters onder moeilijke omstandigheden gewerkt hadden, maar dat het in het geval van een voordracht voor de medaille moet gaan om kandidaten ‘die zich op werkelijk uitzonderlijke wijze’ verdienstelijk hadden gemaakt. Voor de zekerheid stuurde men het officiële reglement nog mee.

Insigne van de Vereniging Het Wit-Gele Kruis

Een merkwaardige keuze

Er stond flink druk op de ketel, want uiterlijk 1 februari 1947 moest de voordracht voor nieuwe kandidaten  binnen zijn. Waar stuur je dan zo’n belangrijke brief naartoe, vraag je je af. Naar de Vereniging voor Ziekenhuizen, verpleegkundige beroepsorganisaties, verpleegorganisaties of naar vakbonden? Behalve naar de landelijke Rode Kruis afdelingen ging de brief ook naar vijf organisaties die op het terrein van de verpleging werkzaam waren: het Convent van de Orde van St. Jan, de katholieke Balije Nederland van de Souvereine Orde van Malta, de Algemeene Nederlandsche Vereeniging ‘Het Groene Kruis’, de katholieke Nationale Federatie ‘Het Wit-Gele Kruis’ en de Nationale Bond van Verplegenden. Waarom de keuze juist op deze vijf viel, is onduidelijk maar lijkt een beetje op vriendjespolitiek, ook al hielden ze zich allemaal op de een of andere manier met wijk- en thuisverpleging bezig. De eerste twee waren vrij onbekende organisaties en de Nationale Bond was een van de kleinste beroepsorganisaties. De brief met het verzoek om namen van kandidaten ging ook naar Suriname en Curaçao maar kwam te laat aan.

Het Pulchri gebouw in Den Haag

Op de valreep

Na het versturen van de brief met een verzoek om kandidaten voor te dragen, druppelden de voordrachten binnen. Vooral de Kruisverenigingen lieten zich niet onbetuigd, met het Limburgse Groene Kruis als koploper. Maar liefst achttien wijkverpleegsters stonden op hun lijst, waarvan er uiteindelijk drie gehonoreerd zouden worden. Broeder Prosper van de Orde van Malta reageerde met een uitbreide brief dat ze wel meer dan honderd helpsters als kandidaat konden voordragen, maar dat de ‘nonnetjes niet voor een onderscheiding in aanmerking wenschen te komen’. Toch zou hij het wel op prijs stellen als er één religieuze onderscheiden zou worden. Hij kreeg deels zijn zin. Een van de genomineerden was inderdaad een religieuze, zij het niet van de Orde van Malta maar van de lijst van het Limburgse Groene Kruis.

Op 28 februari, op de valreep dus, stuurde het Nederlandse Rode Kruis de namen van vijf potentiële kandidaten naar Genève. Begin mei volgde het telegram van het Internationale Comité met de beslissing. Na bestudering van de bijlagen waren alle vijf de kandidaten goedgekeurd. Op 12 mei 1947 zouden hun namen officieel bekend gemaakt worden en konden drie wijkverpleegsters en twee Rode Kruis helpsters de Florence Nightingale Medailles tegemoet zien. Op 2 juli ontvingen de vijf gelukkigen de brief met de officiële uitnodiging om op vrijdag 18 juli in het gebouw van de Pulchri Studio te ’s-Gravenhage de medaille in ontvangst te nemen uit handen van prinses Juliana.

De Florence Nightingale Medaille met kleine draagmedaille

Hoe feestelijk was de uitreiking?

In het Handboek van de Florence Nightingale Medaille staat nadrukkelijk dat de uitreiking een feestelijk karakter moet hebben. Of dat in 1947 het geval was, is nog maar de vraag. De uitreiking had nogal wat voeten in de aarde vanwege de volle agenda van prinses Juliana. Het zou eerst plaatsvinden om 16.00, maar werd twee dagen later op verzoek van prinses Juliana vervroegd naar 11.30. Na nog een aanpassing vanwege het drukke programma van de prinses werd het uiteindelijk 11.00, voor Leintje Jobse, een van de winnaressen uit Zeeland bepaald geen gemakkelijk tijdstip.

Treurig was de beperking van het aantal familieleden van de vijf winnaressen. Een van de kandidaten vroeg nederig of een vriendin mee mocht komen, wat niet mogelijk was. Moeder Bloem, die een gezin met tien kinderen had en wier dochter Rie Bloem de medaille postuum zou krijgen, vroeg vriendelijk of het hele gezin mee mocht komen vanwege de uitzonderlijke situatie. Dat werd afgewezen en uiteindelijk kwam het gezin Bloem met zes personen. Opvallend was ook de afwezigheid van bekende vertegenwoordigers uit de verpleegkundige wereld. Wisten ze het niet of waren ze niet uitgenodigd? Wel aanwezig was Adrie Schipper, ook draagster van de medaille. Ailke Westerhof, de eerste winnares, was in 1946 overleden.

Er waren ook afmeldingen. Een hele slechte beurt maakte de burgemeester van Nederweert, uit wiens gemeente Regina Esser, een van de vijf kandidaten, kwam. Hij had het te druk en schreef ‘als ik haar tegenkom, zal ik haar feliciteren’. Er was overigens wel plek voor 130 hoge vertegenwoordigers van de Rode Kruis organisaties uit Zwitserland, België en Luxemburg en aanverwante organisaties.

Toen iedereen goed en wel in de zaal zat, kwam de prinses binnen en kon de plechtigheid beginnen. Op de voorste rij zaten Leintje Jobse, Regina Esser, Lenie Verheul en zuster Stephania. Rie Bloem was in 1944 overleden ten gevolge van oorlogshandelingen. Haar vader nam de medaille in ontvangst.

Twee van de vijf dappere dames, Rie Bloem en Lenie Verheul, zijn in eerdere Bulletins al herdacht, deze keer staat Regina Esser centraal.

Literatuur

  • De mens achter de medaille. 100 jaar Rode Kruis-onderscheidingen (Uitgave NRK, 2014)
  • Nederlandse draagsters van de Florence Nightingale Medal van het Internationale Rode Kruis door E.H. Müller
  • De Florence Nightingale Medaille door J. H. Prinsenberg (1985)
  • Handbook of the International Red Cross and Red Crescent Movement (Fourteenth Edition, 2008)

 

Een onmisbaar beroep. Verpleegkundigen in Nederland, 1850-2025

Nieuw boek in aantocht!

In 2027 verschijnt bij Uitgeverij Unieboek I Het Spectrum mijn boek met de titel Een onmisbaar beroep. Verpleegkundigen in Nederland, 1850-2025. Het beschrijft de lange weg die het verpleegkundig beroep gedurende de laatste anderhalve eeuw heeft afgelegd. Van de eerste vormen van georganiseerde verpleging tot de erkenning van de onmisbare professionals van nu. Die weg zat vol met hindernissen. Verpleegkundigen moesten zich voortdurend aanpassen aan veranderende sociale verhoudingen, aan de zich wijzigende hiërarchie in de gezondheidszorg, aan nieuwe vereisten voor opleidingen en aan de alsmaar groeiend zorgvraag vanuit de samenleving. Dit alles vereiste flexibiliteit en veerkracht.

Dit boek gaat over de emancipatie van honderdduizenden vrouwen. De verpleging was vanaf 1850 lange tijd een van de weinige beroepen, waarmee ze een bestaan konden opbouwen. Zij verdienen het om een gezicht te krijgen. Met veel beeldmateriaal, kaders met interessante weetjes, voorzien van noten en literatuur, vertel ik in dit boek de meeslepende geschiedenis van een onmisbare beroepsgroep.

 

Een rusthuis voor verpleegsters

Toen verplegen als beroep vanaf 1900 aan de opmars begon, kwamen ook de eerste problemen. Affaires en relletjes teisterden de ziekenhuizen. De arbeidsomstandigheden waren ronduit slecht en het eten ook. Dat gaf onrust, waardoor verpleegsters tot grote ergernis van ziekenhuisdirecties vertrokken om voor zichzelf te beginnen.

Villa Bella Vista te Oosterbeek

De Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging (1893) besloot er iets aan te doen. Er moest een rusthuis komen voor hardwerkende zusters – mannen telden niet mee -, om ze een beetje ontspanning te geven in vakantietijd. Maar ook als ze overwerkt waren, hadden ze even een rustpauze nodig. En dus ging het bestuur op zoek naar een ‘rustoord voor zieke en herstellende verpleegsters’. In 1904 ging hun wens in vervulling. Een onbekende weldoenster stelde haar gemeubileerde villa in Oosterbeek voor twee jaar ter beschikking, gratis. Het huis bood onderdak aan de directrice – de weduwe Rueck-van Dijk -,  en aan zeven verpleegsters. Het was de bedoeling dat het huis zomers als vakantieverblijf voor verpleegsters – uiteraard uitsluitend Bondsleden -, diende en in de wintermaanden voor oververmoeide of herstellende verpleegsters. De villa, gebouwd in 1870, heette Bella Vista en was gelegen aan de Benedendorpseweg 98.

Anna Reynvaan

Een rijk gevulde linnenkast

De bekende Anna Reynvaan was inmiddels met pensioen maar nog steeds op allerlei terreinen actief en zeer invloedrijk. Ze bood aan om voorafgaand aan de opening alvast een kijkje te gaan nemen in Oosterbeek. Dan kon ze over haar bezoek een artikel schrijven en dat publiceren in het Maandblad voor Ziekenverpleging, lijfblad van de Bond. Een slimme manier om het rusthuis vast wat bekendheid te geven. Ze kreeg van de kelder tot de zolder een rondleiding en was verrukt: de linnenkast was rijk gevuld, de keukeninventaris compleet en een kippenhok in de tuin leverde dagelijks ‘verse eitjes voor de zusters’. Het verblijf kostte een verpleegster 1 gulden per dag, wat uiteraard niet kostendekkend was. Gelukkig kwamen de vrijwillige giften al snel op gang en bijdragen van het Ondersteuningsfonds vulden de tekorten aan. Kortom, Bella Vista was een mooie manier om proef te draaien en te zijner tijd een ‘eigen’ rusthuis te exploiteren.

Villa Buitenrust in Oosterbeek

Villa Buitenrust te Oosterbeek

Na een experiment van twee jaar was het wel duidelijk dat er grote behoefte was aan een dergelijk rustoord, dat inmiddels al 167 verpleegsters had ontvangen. De weldoenster, van wie de naam helaas onbekend is, had de Bond nog een aanzienlijke schenking gedaan, zodat in 1906 een andere grote buitenplaats in Oosterbeek, Villa Buitenrust, aangekocht kon worden. De exploitatie van dit megaproject verliep moeizaam en de prijs voor een verblijf was voor de verpleegsters aan de hoge kant. Enkele verpleegsters uitten hun ongenoegen over de hoge dagprijs van het nieuwe onderkomen. Was het niet beter dat Villa Buitenrust het eigendom van de zusters zelf zou worden, dus hun eigen bezit? Dit voorstel was voor het bestuur niet bespreekbaar, hoe haalden ze het in hun hoofd! Maar een jaarlijkse donatie van de zusters om het rusthuis draaiende te houden, was uiteraard zeer welkom. Van hun karige salaris zouden vele verpleegsters dat uiteindelijk ook doen, want het was ook in hún belang. Het rusthuis zou nog jarenlang dienst doen, hoewel de exploitatie voor de Bond een blok aan het been was.

Niet alleen de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging, ook andere bonden richtten vanaf 1900 dit soort rusthuizen op om hun werknemers af en toe een adempauze te gunnen. Een echte oplossing voor oververmoeide verpleegsters was het allemaal niet.

 

Lenie Verheul, de 7de dappere dame

18 juli 1947 was een mooie zomerse dag. Op deze dag ontving de jonge Helena Maria Verheul, helpster namens het Rode Kruis, uit handen van Prinses Juliana de bijzondere Florence Nightingale Medaille.

Ze was die dag niet de enige die in de schijnwerpers stond. Nog drie verpleegsters en een Rode Kruis helpster werden die dag met deze bijzondere medaille geëerd. Alle vijf hadden zich buitengewoon dapper gedragen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Pulchri Studio in Den Haag was tot de nok gevuld met hoogwaardigheidsbekleders en familieleden.

Op jonge leeftijd

Helpster van het Rode Kruis

Helena Maria (Lenie) Verheul was geboren op 3 september 1922. Over haar jeugd is weinig bekend, behalve dat ze katholiek was en bepaald niet verlegen. Zo schreef ze als leerling van de R.K. Huishoudschool in 1939 een brief aan Koningin Wilhelmina met de vraag of zij loten van haar wilde kopen. Van de particuliere secretaris van de Koningin kreeg ze een brief terug met een vriendelijke afwijzing. Waarschijnlijk volgde Lenie Verheul na de huishoudschool de opleiding tot helpster van het Rode Kruis. Deze opleiding was vlak voor het uitbreken van de oorlog zeer populair. Hij duurde twee jaar en werd in de wereld van de verpleging beschouwd als regelrechte concurrentie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Lenie Verheul bij huisarts G. J. de Maat te Heijthuijsen. Daar assisteerde ze dag en nacht onder gevaarlijke omstandigheden bij de transporten van zieken en gewonden naar Roermond. Op zich al een medaille waard! De Florence Nightingale Medaille kreeg ze echter om een andere reden, zoals ze tijdens een bezoek aan het Florence Nightingale Instituut in 2005 vertelde.

Florence Nightingale medaille met klein draagmodel

“Hij had blijkbaar iets goed te maken”

Op een nacht kreeg de huisarts bericht dat verderop een zwaargewond meisje lag. Hij aarzelde geen moment en reed samen met Lenie Verheul met paard en wagen naar de plek des onheils. Het bleek dat het meisje in een mijnenveld terecht was gekomen. Hoe redde hij dit gewonde meisje uit het gevaarlijke mijnenveld? De kans op een ontploffing, met de dood voor hem en het meisje tot gevolg, was groot. De huisarts vroeg of Lenie Verheul die taak op zich wilde  nemen en stuurde de jonge Lenie het veld in om het meisje te redden. En dat lukte haar. Ze vertelde later dat ze geen moment had geaarzeld om deze gevaarlijke taak op zich te nemen.

Na de oorlog verspreidde het Nationale Rode Kruis een oproep om verpleegsters en helpsters, die zich dapper hadden gedragen tijdens de oorlog, voor te dragen voor de prestigieuze Florence Nightingale Medaille. Om onduidelijke reden werd deze oproep vooral in het zuiden des lands verspreid en met name onder organisaties voor wijkverpleging. De Limburgse huisarts herinnerde zich het voorval en droeg Lenie Verheul voor de medaille voor. “Hij had blijkbaar iets goed te maken”, aldus Lenie Verheul in 2005.

Lenie met collega’s

Van huishoudschool leerling tot arts

Het lijkt erop dat Lenie Verheul na 1947 de opleiding voor de A-verpleging gevolgd heeft. Helaas is niet duidelijk waar ze dat deed. Ook deed ze de net opgerichte Tropencursus in het Rotterdamse Havenziekenhuis. Ze woonde in die periode in Wassenaar en duidelijk is dat al haar vervolgstappen erop gericht waren om Nederland te verlaten. In 1949 kreeg ze bij de Geneeskundige Dienst der Koninklijke Landmacht een aanstelling als verpleegster bij het Nederlandse Verpleegsterscorps der Koninklijke Landmacht, afgekort N. V. K. L. Ze kreeg de rang van 2de luitenante. In 1951 informeerde ze bij de Missieschool voor jonge vrouwen in Ubbergen naar de kosten voor een missieopleiding. Die waren trouwens niet mis. De half jaarlijkse opleiding met kost en inwoning en bijbehorende cursus kostte 650 gulden. Het is niet duidelijk of ze deze cursus is gaan volgen, maar in 1951 deed ze een poging om als verpleegster op het schip de Johan van Oldenbarnevelt te komen werken. Dit grote schip, gebouwd in 1929, werd vooral gebruikt voor de passagiersvaart tussen Amsterdam en Koloniën. Tijdens de oorlog werden er grote troepenverplaatsingen mee uitgevoerd. Op dat moment was er geen plaats voor Lenie Verheul, maar korte tijd later ontving ze een vriendelijke brief van het hoofd van de Geneeskundige Dienst van de Stoomvaart Maatschappij waarin hij verwachtte ‘zuster Verheul’ spoedig te kunnen plaatsen. In 1952 deed Lenie Verheul een opmerkelijke stap. Ze vroeg toestemming aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen om “zonder in bezit te zijn van het daartoe door de hoger-onderwijswet gevorderde getuigschrift” toegelaten te worden tot examens in de Faculteit der Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Er werd over deze uitzonderlijke aanvraag op hoog niveau overleg – ook met de curatoren van de Rijksuniversiteit -, en men had besloten dit verzoek te honoreren.

Naar Chili

In 1958 behaalde Lenie Verheul het artsexamen en een jaar later is ze aanwezig bij de uitreiking van de Florence Nightingale Medaille aan Bep Engelberts. Daarna begon haar internationale avontuur. Het diploma Spaans had ze inmiddels op zak. Ze was in Nederland al voor de wet getrouwd met Leo Duijndam, waarna het huwelijk in 1960 op Aruba voor de kerk werd ingezegend. Het stel ging wonen in Temuco, zo’n 600 kilometer verwijderd van de hoofdstad Santiago. Daar kreeg het echtpaar drie kinderen, van wie er in 2005 twee aanwezig waren bij Lenie Verheuls bezoek in Nederland. Waarschijnlijk is 4 januari 2015 de sterfdag van Helena Maria Verheul, de 7de dappere dame.

Op bezoek in het museum van het Florence Nightingale Instituut in 2005

Op 18 juli 1947 reikte Prinses Juliana in Den Haag aan deze vijf dappere vrouwen de Florence Nightingale Medaille uit. Vier dames waren aanwezig, vader Bloem vertegenwoordigde zijn overleden dochter Rie. Aan deze feestelijke gebeurtenis was enig gedoe vooraf gegaan, want de zaal van Studio Pulchri was veel te klein voor zoveel belangstellenden. Het is niet bekend wie Lenie Verheul had meegenomen, misschien wel de huisarts aan wie zij de nominatie te danken had.

De visie van Bien van den Brink-Tjebbes

Foto Stijn Rademaker

Van de hand van Bart Cusveller, docent ethiek en onderzoeker van het lectoraat Zorg en Zingeving van de Hogeschool Viaa, kwam onlangs een nieuw boek uit. Zorgzaam bestaan. De verpleegvisie van J. A. van den Brink-Tjebbes is vooral een hommage aan Jobina (Bien) Adriana Tjebbes (1924-1914).

Bien van den Brink-Tjebbes is een van die verpleegkundigen die vanaf de jaren ’70 haar stempel drukte op de ontwikkeling van het verpleegkundig beroep, maar tegelijk in de vergetelheid raakte. Dit eerbetoon voor haar persoon en haar belangrijke werk is dan ook meer dan terecht.

Jonge jaren

Bien Tjebbes is geboren in 1924 in Dordrecht. Ze kwam al vroeg in aanraking met wat ziekte voor een gezin kon betekenen. Haar vader had tuberculose en moest regelmatig kuren. Haar voorbeeld om de verpleging in te gaan was haar tante, die verpleegster was. Als 5-jarige bond Bien een witte zakdoek om haar hoofd en voelde ze zich verpleegster. In 1943 deed ze eindexamen gymnasium B. Vanwege geldproblemen én omdat ze weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen, kon ze niet studeren. Ze ging de verpleging in en haalde eind 1945 het diploma algemene ziekenverpleging in het Diaconessenhuis in Naarden. Aansluitend deed ze nog de kraam- en wijkaantekening. Tussen 1952 en 1967 werkte Bien Tjebbes als wijkverpleegkundige.

Naar de universiteit

In 1967 kwam Bien Tjebbes in dienst bij de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid. Hier hield ze zich bezig met de verpleegkundige dienstverlening in de maatschappelijke gezondheidszorg. Vanuit deze functie besloot ze in 1969 alsnog de studie Andragogiek aan de Universiteit Utrecht te gaan volgen. Een droom kwam uit. Ze verdiepte zich tijdens de studie in tal van verpleegkundige theoretische vraagstukken. In 1974 behaalde ze het doctoraal met de scriptie De theorie van de verpleegkunde naar haar aard en functie gedacht. De opgedane kennis tijdens haar studie publiceerde ze in vele artikelen voor het Tijdschrift voor Ziekenverpleging en door het houden van lezingen over het belang van theorievorming in de verpleegkunde. In 1978, op 54-jarige leeftijd, trouwde ze met Aalt van den Brink.

Tijdens een van haar vele lezingen

Het boek Zorgzaam bestaan

Het eindresultaat van Van den Brink-Tjebbes’ visie op wat nu eigenlijk de kern van verplegen is, was mede door het ingewikkelde taalgebruik niet altijd toegankelijk voor de lezer. Ook in de academische wereld had men er in die tijd weinig waardering voor. En daarom is het des te meer te prijzen dat Bart Cusveller in zijn nieuw boek Zorgzaam bestaan haar theorie tot op de bodem analyseert en toegankelijk maakt. Aan de hand van haar drie boeken schetst hij de hoofdlijn van haar denken. Daarmee maakt Cusveller haar complexe gedachtegoed toegankelijk voor een breder publiek. Ook legt hij de relatie met actuele zorgvraagstukken zoals beroepsidentiteit en professionele autonomie. Het boek is hierdoor een bron van inspiratie voor studenten, docenten en zorgprofessionals die zoeken naar wat verpleegkunde in de kern is. Maar het boek is vooral een eerherstel van een vergeten pionier.

Dit leerzame boek sluit af met een prachtig interview met Bien van den Brink-Tjebbes door Albert-Jan Regterschot. Op 90-jarige leeftijd wist ze een ding zeker: Ik ben verpleegkundige voor het leven!

Symposium op 2 december 2025

Ter gelegenheid van de 100ste geboortedag van Bien van den Brink-Tjebbes wordt het boek Zorgzaam bestaan van Bart Cusveller officieel gepresenteerd. Het symposium is toegankelijk voor iedereen.

Meer informatie en aanmelden: https://www.viaa.nl/evenement/symposium-wat-voor-zin-heeft-zorg/

 

Het land van de kunstnier, een review

Onlangs verscheen van de hand van Paul Gundlach en Herman Broers Het land van de kunstnier. Biografie van een wereldprimeur, 1913-1970. Meestal gaat een biografie over het levensverhaal van een persoon met de bedoeling de lezer meer inzicht te geven in diens leven. In dit boek gaat de biografie niet over een persoon maar over een object, de kunstnier. Hoe bijzonder is dat!

Willem Kolff (1911-2009)

De twee auteurs van Het land van de kunstnier zijn erin geslaagd om een medisch-technisch onderwerp goed leesbaar en zelfs spannend te beschrijven.  Geen wonder ook. Gundlach is verpleegkundig-specialist en kenner van de nierdialyse bij uitstek. Dat hij ook zoveel belangstelling voor geschiedenis heeft, spat er aan alle kanten vanaf. Broers studeerde journalistiek en geschiedenis en schreef eerder een biografie over de uitvinder van de kunstnier Willem Kolff (1911-2009). Een beter duo voor dit onderwerp is moeilijk voorstelbaar.

Dit boek gaat over de pionier Willem Kolff, die midden in oorlogstijd een levensreddende uitvinding deed. En wat moest hij zich behelpen. Met een waterpomp uit een T-Fordje en een motor uit een naaimachine bouwde hij de eerste nog uiterst primitieve kunstnier. Dat gebeurde niet in een groot academisch ziekenhuis maar in het rustige Stadsziekenhuis in Kampen met zo’n  75 bedden. Hoewel collega’s zijn experiment argwanend gadesloegen, liet geneesheer-directeur Kehrer hem zijn gang maar gaan. Na zestien dialyses die geen succes hadden, lukte het om een patiënt na dialyse in leven te houden. Hoe de kunstnier de jaren erna verbeterde en zijn weg vond in de ziekenhuizen, wordt hierna verhelderd en mooi beschreven.

Vooraanzicht Ziekenhuis Kampen

Het boek laat vooral zien hoe moeizaam de introductie van zo’n nieuwe uitvinding als de kunstnier in de medische wereld ging. Kolff emigreerde in 1950 niet voor niets zwaar teleurgesteld naar de Verenigde Staten. Daar werd hij wel met open armen ontvangen en kreeg de ene na de andere award. Ook internist H. W. Scalonge uit Rotterdam moest in 1948 in het Tijdschrift voor Ziekenverpleging toegeven, dat Nederland trots mocht zijn op Willem Kolff. Dit is medische geschiedenis bij uitstek.

Hoofdzuster Maria ter Welle aangesloten aan het dialyse apparaat

Maar niet alleen medische, ook de verpleegkundige geschiedenis kan hier veel van leren. Zo was hoofdzuster Maria Ter Welle (1900-1946) aanwezig bij de allereerste nierdialyse in het ziekenhuis, waarbij de patiënt uiteindelijk stierf. Dr. Kolff had aanvankelijk geaarzeld om de doodzieke patiënt, wiens nieren het bijna hadden begeven, te dialyseren. Hoofdzuster Ter Welle had hem met de woorden ‘Probeer het maar dokter, hij gaat toch dood’ over de streep getrokken. Deze praktisch ingestelde hoofdzuster Ter Welle werd een betrouwbare steunpilaar voor Kolff. Ze was ook niet te beroerd om zich voor een foto ten behoeve van Kolffs proefschrift aan te laten sluiten aan het dialyseapparaat. Ter Welle verzamelde een aantal vaste verpleegkundigen om zich heen, onder wie zuster Grieteke van den Noort, die bij iedere nieuwe poging om een patiënt te dialyseren klaar stonden om te assisteren. Hun werk was bepaald geen sinecure. Tijdens de urenlange dialyse moest de patiënt goed in de gaten worden gehouden. Het moet voor de verpleegkundigen opwindend zijn geweest om deel uit te maken van deze experimentele fase. Als eerbetoon aan hoofdzuster Ter Welle is de Maria ter Welle Prijs in het leven geroepen door de Nierstichting en de Willem Kolffstichting.

Ook in het St. Clara Ziekenhuis te Rotterdam, waar internist Erik Ernst Twiss in de jaren ’50 het dialyseapparaat  ging gebruiken en doorontwikkelde, werd duidelijk hoe essentieel de rol van verpleegkundigen bij deze behandeling was en is. In de interviews met een drietal dialyse verpleegkundigen van het eerste uur komt dat glashelder naar voren.

Verpleegkundigen van het St. Clara Ziekenhuis Rotterdam (ca. 1965)

De les die beide auteurs de lezer meegeven is, dat je pioniers nooit moet tegenhouden maar juist moet stimuleren. Kortom, dit boek is een pareltje voor zowel medici als verpleegkundigen.

Het boek is hier te bestellen: https://hermanbroers.nl/product/het-land-van-de-kunstnier/