Een onmisbaar beroep. Verpleegkundigen in Nederland, 1850-2025

Nieuw boek in aantocht!

Voorjaar 2027 verschijnt bij Uitgeverij Unieboek I Het Spectrum mijn boek met de titel Een onmisbaar beroep. Verpleegkundigen in Nederland, 1850-2025. Het beschrijft de lange weg die het verpleegkundig beroep gedurende de laatste anderhalve eeuw heeft afgelegd. Van de eerste vormen van georganiseerde verpleging tot de erkenning van de onmisbare professionals van nu. Die weg zat vol met hindernissen. Verpleegkundigen moesten zich voortdurend aanpassen aan veranderende sociale verhoudingen, aan de zich wijzigende hiërarchie in de gezondheidszorg, aan nieuwe vereisten voor opleidingen en aan de alsmaar groeiend zorgvraag vanuit de samenleving. Dit alles vereiste flexibiliteit en veerkracht.

Dit boek gaat over de emancipatie van honderdduizenden vrouwen. De verpleging was vanaf 1850 lange tijd een van de weinige beroepen, waarmee ze een bestaan konden opbouwen. Zij verdienen het om een gezicht te krijgen. Met veel beeldmateriaal, kaders met interessante weetjes, voorzien van noten en literatuur, vertel ik in dit boek de meeslepende geschiedenis van een onmisbare beroepsgroep.

 

Een rusthuis voor verpleegsters

Toen verplegen als beroep vanaf 1900 aan de opmars begon, kwamen ook de eerste problemen. Affaires en relletjes teisterden de ziekenhuizen. De arbeidsomstandigheden waren ronduit slecht en het eten ook. Dat gaf onrust, waardoor verpleegsters tot grote ergernis van ziekenhuisdirecties vertrokken om voor zichzelf te beginnen.

Villa Bella Vista te Oosterbeek

De Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging (1893) besloot er iets aan te doen. Er moest een rusthuis komen voor hardwerkende zusters – mannen telden niet mee -, om ze een beetje ontspanning te geven in vakantietijd. Maar ook als ze overwerkt waren, hadden ze even een rustpauze nodig. En dus ging het bestuur op zoek naar een ‘rustoord voor zieke en herstellende verpleegsters’. In 1904 ging hun wens in vervulling. Een onbekende weldoenster stelde haar gemeubileerde villa in Oosterbeek voor twee jaar ter beschikking, gratis. Het huis bood onderdak aan de directrice – de weduwe Rueck-van Dijk -,  en aan zeven verpleegsters. Het was de bedoeling dat het huis zomers als vakantieverblijf voor verpleegsters – uiteraard uitsluitend Bondsleden -, diende en in de wintermaanden voor oververmoeide of herstellende verpleegsters. De villa, gebouwd in 1870, heette Bella Vista en was gelegen aan de Benedendorpseweg 98.

Anna Reynvaan

Een rijk gevulde linnenkast

De bekende Anna Reynvaan was inmiddels met pensioen maar nog steeds op allerlei terreinen actief en zeer invloedrijk. Ze bood aan om voorafgaand aan de opening alvast een kijkje te gaan nemen in Oosterbeek. Dan kon ze over haar bezoek een artikel schrijven en dat publiceren in het Maandblad voor Ziekenverpleging, lijfblad van de Bond. Een slimme manier om het rusthuis vast wat bekendheid te geven. Ze kreeg van de kelder tot de zolder een rondleiding en was verrukt: de linnenkast was rijk gevuld, de keukeninventaris compleet en een kippenhok in de tuin leverde dagelijks ‘verse eitjes voor de zusters’. Het verblijf kostte een verpleegster 1 gulden per dag, wat uiteraard niet kostendekkend was. Gelukkig kwamen de vrijwillige giften al snel op gang en bijdragen van het Ondersteuningsfonds vulden de tekorten aan. Kortom, Bella Vista was een mooie manier om proef te draaien en te zijner tijd een ‘eigen’ rusthuis te exploiteren.

Villa Buitenrust in Oosterbeek

Villa Buitenrust te Oosterbeek

Na een experiment van twee jaar was het wel duidelijk dat er grote behoefte was aan een dergelijk rustoord, dat inmiddels al 167 verpleegsters had ontvangen. De weldoenster, van wie de naam helaas onbekend is, had de Bond nog een aanzienlijke schenking gedaan, zodat in 1906 een andere grote buitenplaats in Oosterbeek, Villa Buitenrust, aangekocht kon worden. De exploitatie van dit megaproject verliep moeizaam en de prijs voor een verblijf was voor de verpleegsters aan de hoge kant. Enkele verpleegsters uitten hun ongenoegen over de hoge dagprijs van het nieuwe onderkomen. Was het niet beter dat Villa Buitenrust het eigendom van de zusters zelf zou worden, dus hun eigen bezit? Dit voorstel was voor het bestuur niet bespreekbaar, hoe haalden ze het in hun hoofd! Maar een jaarlijkse donatie van de zusters om het rusthuis draaiende te houden, was uiteraard zeer welkom. Van hun karige salaris zouden vele verpleegsters dat uiteindelijk ook doen, want het was ook in hún belang. Het rusthuis zou nog jarenlang dienst doen, hoewel de exploitatie voor de Bond een blok aan het been was.

Niet alleen de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging, ook andere bonden richtten vanaf 1900 dit soort rusthuizen op om hun werknemers af en toe een adempauze te gunnen. Een echte oplossing voor oververmoeide verpleegsters was het allemaal niet.

 

Lenie Verheul, de 7de dappere dame

18 juli 1947 was een mooie zomerse dag. Op deze dag ontving de jonge Helena Maria Verheul, helpster namens het Rode Kruis, uit handen van Prinses Juliana de bijzondere Florence Nightingale Medaille.

Ze was die dag niet de enige die in de schijnwerpers stond. Nog drie verpleegsters en een Rode Kruis helpster werden die dag met deze bijzondere medaille geëerd. Alle vijf hadden zich buitengewoon dapper gedragen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Pulchri Studio in Den Haag was tot de nok gevuld met hoogwaardigheidsbekleders en familieleden.

Op jonge leeftijd

Helpster van het Rode Kruis

Helena Maria (Lenie) Verheul was geboren op 3 september 1922. Over haar jeugd is weinig bekend, behalve dat ze katholiek was en bepaald niet verlegen. Zo schreef ze als leerling van de R.K. Huishoudschool in 1939 een brief aan Koningin Wilhelmina met de vraag of zij loten van haar wilde kopen. Van de particuliere secretaris van de Koningin kreeg ze een brief terug met een vriendelijke afwijzing. Waarschijnlijk volgde Lenie Verheul na de huishoudschool de opleiding tot helpster van het Rode Kruis. Deze opleiding was vlak voor het uitbreken van de oorlog zeer populair. Hij duurde twee jaar en werd in de wereld van de verpleging beschouwd als regelrechte concurrentie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Lenie Verheul bij huisarts G. J. de Maat te Heijthuijsen. Daar assisteerde ze dag en nacht onder gevaarlijke omstandigheden bij de transporten van zieken en gewonden naar Roermond. Op zich al een medaille waard! De Florence Nightingale Medaille kreeg ze echter om een andere reden, zoals ze tijdens een bezoek aan het Florence Nightingale Instituut in 2005 vertelde.

Florence Nightingale medaille met klein draagmodel

“Hij had blijkbaar iets goed te maken”

Op een nacht kreeg de huisarts bericht dat verderop een zwaargewond meisje lag. Hij aarzelde geen moment en reed samen met Lenie Verheul met paard en wagen naar de plek des onheils. Het bleek dat het meisje in een mijnenveld terecht was gekomen. Hoe redde hij dit gewonde meisje uit het gevaarlijke mijnenveld? De kans op een ontploffing, met de dood voor hem en het meisje tot gevolg, was groot. De huisarts vroeg of Lenie Verheul die taak op zich wilde  nemen en stuurde de jonge Lenie het veld in om het meisje te redden. En dat lukte haar. Ze vertelde later dat ze geen moment had geaarzeld om deze gevaarlijke taak op zich te nemen.

Na de oorlog verspreidde het Nationale Rode Kruis een oproep om verpleegsters en helpsters, die zich dapper hadden gedragen tijdens de oorlog, voor te dragen voor de prestigieuze Florence Nightingale Medaille. Om onduidelijke reden werd deze oproep vooral in het zuiden des lands verspreid en met name onder organisaties voor wijkverpleging. De Limburgse huisarts herinnerde zich het voorval en droeg Lenie Verheul voor de medaille voor. “Hij had blijkbaar iets goed te maken”, aldus Lenie Verheul in 2005.

Lenie met collega’s

Van huishoudschool leerling tot arts

Het lijkt erop dat Lenie Verheul na 1947 de opleiding voor de A-verpleging gevolgd heeft. Helaas is niet duidelijk waar ze dat deed. Ook deed ze de net opgerichte Tropencursus in het Rotterdamse Havenziekenhuis. Ze woonde in die periode in Wassenaar en duidelijk is dat al haar vervolgstappen erop gericht waren om Nederland te verlaten. In 1949 kreeg ze bij de Geneeskundige Dienst der Koninklijke Landmacht een aanstelling als verpleegster bij het Nederlandse Verpleegsterscorps der Koninklijke Landmacht, afgekort N. V. K. L. Ze kreeg de rang van 2de luitenante. In 1951 informeerde ze bij de Missieschool voor jonge vrouwen in Ubbergen naar de kosten voor een missieopleiding. Die waren trouwens niet mis. De half jaarlijkse opleiding met kost en inwoning en bijbehorende cursus kostte 650 gulden. Het is niet duidelijk of ze deze cursus is gaan volgen, maar in 1951 deed ze een poging om als verpleegster op het schip de Johan van Oldenbarnevelt te komen werken. Dit grote schip, gebouwd in 1929, werd vooral gebruikt voor de passagiersvaart tussen Amsterdam en Koloniën. Tijdens de oorlog werden er grote troepenverplaatsingen mee uitgevoerd. Op dat moment was er geen plaats voor Lenie Verheul, maar korte tijd later ontving ze een vriendelijke brief van het hoofd van de Geneeskundige Dienst van de Stoomvaart Maatschappij waarin hij verwachtte ‘zuster Verheul’ spoedig te kunnen plaatsen. In 1952 deed Lenie Verheul een opmerkelijke stap. Ze vroeg toestemming aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen om “zonder in bezit te zijn van het daartoe door de hoger-onderwijswet gevorderde getuigschrift” toegelaten te worden tot examens in de Faculteit der Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Er werd over deze uitzonderlijke aanvraag op hoog niveau overleg – ook met de curatoren van de Rijksuniversiteit -, en men had besloten dit verzoek te honoreren.

Naar Chili

In 1958 behaalde Lenie Verheul het artsexamen en een jaar later is ze aanwezig bij de uitreiking van de Florence Nightingale Medaille aan Bep Engelberts. Daarna begon haar internationale avontuur. Het diploma Spaans had ze inmiddels op zak. Ze was in Nederland al voor de wet getrouwd met Leo Duijndam, waarna het huwelijk in 1960 op Aruba voor de kerk werd ingezegend. Het stel ging wonen in Temuco, zo’n 600 kilometer verwijderd van de hoofdstad Santiago. Daar kreeg het echtpaar drie kinderen, van wie er in 2005 twee aanwezig waren bij Lenie Verheuls bezoek in Nederland. Waarschijnlijk is 4 januari 2015 de sterfdag van Helena Maria Verheul, de 7de dappere dame.

Op bezoek in het museum van het Florence Nightingale Instituut in 2005

Op 18 juli 1947 reikte Prinses Juliana in Den Haag aan deze vijf dappere vrouwen de Florence Nightingale Medaille uit. Vier dames waren aanwezig, vader Bloem vertegenwoordigde zijn overleden dochter Rie. Aan deze feestelijke gebeurtenis was enig gedoe vooraf gegaan, want de zaal van Studio Pulchri was veel te klein voor zoveel belangstellenden. Het is niet bekend wie Lenie Verheul had meegenomen, misschien wel de huisarts aan wie zij de nominatie te danken had.

De visie van Bien van den Brink-Tjebbes

Foto Stijn Rademaker

Van de hand van Bart Cusveller, docent ethiek en onderzoeker van het lectoraat Zorg en Zingeving van de Hogeschool Viaa, kwam onlangs een nieuw boek uit. Zorgzaam bestaan. De verpleegvisie van J. A. van den Brink-Tjebbes is vooral een hommage aan Jobina (Bien) Adriana Tjebbes (1924-1914).

Bien van den Brink-Tjebbes is een van die verpleegkundigen die vanaf de jaren ’70 haar stempel drukte op de ontwikkeling van het verpleegkundig beroep, maar tegelijk in de vergetelheid raakte. Dit eerbetoon voor haar persoon en haar belangrijke werk is dan ook meer dan terecht.

Jonge jaren

Bien Tjebbes is geboren in 1924 in Dordrecht. Ze kwam al vroeg in aanraking met wat ziekte voor een gezin kon betekenen. Haar vader had tuberculose en moest regelmatig kuren. Haar voorbeeld om de verpleging in te gaan was haar tante, die verpleegster was. Als 5-jarige bond Bien een witte zakdoek om haar hoofd en voelde ze zich verpleegster. In 1943 deed ze eindexamen gymnasium B. Vanwege geldproblemen én omdat ze weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen, kon ze niet studeren. Ze ging de verpleging in en haalde eind 1945 het diploma algemene ziekenverpleging in het Diaconessenhuis in Naarden. Aansluitend deed ze nog de kraam- en wijkaantekening. Tussen 1952 en 1967 werkte Bien Tjebbes als wijkverpleegkundige.

Naar de universiteit

In 1967 kwam Bien Tjebbes in dienst bij de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid. Hier hield ze zich bezig met de verpleegkundige dienstverlening in de maatschappelijke gezondheidszorg. Vanuit deze functie besloot ze in 1969 alsnog de studie Andragogiek aan de Universiteit Utrecht te gaan volgen. Een droom kwam uit. Ze verdiepte zich tijdens de studie in tal van verpleegkundige theoretische vraagstukken. In 1974 behaalde ze het doctoraal met de scriptie De theorie van de verpleegkunde naar haar aard en functie gedacht. De opgedane kennis tijdens haar studie publiceerde ze in vele artikelen voor het Tijdschrift voor Ziekenverpleging en door het houden van lezingen over het belang van theorievorming in de verpleegkunde. In 1978, op 54-jarige leeftijd, trouwde ze met Aalt van den Brink.

Tijdens een van haar vele lezingen

Het boek Zorgzaam bestaan

Het eindresultaat van Van den Brink-Tjebbes’ visie op wat nu eigenlijk de kern van verplegen is, was mede door het ingewikkelde taalgebruik niet altijd toegankelijk voor de lezer. Ook in de academische wereld had men er in die tijd weinig waardering voor. En daarom is het des te meer te prijzen dat Bart Cusveller in zijn nieuw boek Zorgzaam bestaan haar theorie tot op de bodem analyseert en toegankelijk maakt. Aan de hand van haar drie boeken schetst hij de hoofdlijn van haar denken. Daarmee maakt Cusveller haar complexe gedachtegoed toegankelijk voor een breder publiek. Ook legt hij de relatie met actuele zorgvraagstukken zoals beroepsidentiteit en professionele autonomie. Het boek is hierdoor een bron van inspiratie voor studenten, docenten en zorgprofessionals die zoeken naar wat verpleegkunde in de kern is. Maar het boek is vooral een eerherstel van een vergeten pionier.

Dit leerzame boek sluit af met een prachtig interview met Bien van den Brink-Tjebbes door Albert-Jan Regterschot. Op 90-jarige leeftijd wist ze een ding zeker: Ik ben verpleegkundige voor het leven!

Symposium op 2 december 2025

Ter gelegenheid van de 100ste geboortedag van Bien van den Brink-Tjebbes wordt het boek Zorgzaam bestaan van Bart Cusveller officieel gepresenteerd. Het symposium is toegankelijk voor iedereen.

Meer informatie en aanmelden: https://www.viaa.nl/evenement/symposium-wat-voor-zin-heeft-zorg/

 

Het land van de kunstnier, een review

Onlangs verscheen van de hand van Paul Gundlach en Herman Broers Het land van de kunstnier. Biografie van een wereldprimeur, 1913-1970. Meestal gaat een biografie over het levensverhaal van een persoon met de bedoeling de lezer meer inzicht te geven in diens leven. In dit boek gaat de biografie niet over een persoon maar over een object, de kunstnier. Hoe bijzonder is dat!

Willem Kolff (1911-2009)

De twee auteurs van Het land van de kunstnier zijn erin geslaagd om een medisch-technisch onderwerp goed leesbaar en zelfs spannend te beschrijven.  Geen wonder ook. Gundlach is verpleegkundig-specialist en kenner van de nierdialyse bij uitstek. Dat hij ook zoveel belangstelling voor geschiedenis heeft, spat er aan alle kanten vanaf. Broers studeerde journalistiek en geschiedenis en schreef eerder een biografie over de uitvinder van de kunstnier Willem Kolff (1911-2009). Een beter duo voor dit onderwerp is moeilijk voorstelbaar.

Dit boek gaat over de pionier Willem Kolff, die midden in oorlogstijd een levensreddende uitvinding deed. En wat moest hij zich behelpen. Met een waterpomp uit een T-Fordje en een motor uit een naaimachine bouwde hij de eerste nog uiterst primitieve kunstnier. Dat gebeurde niet in een groot academisch ziekenhuis maar in het rustige Stadsziekenhuis in Kampen met zo’n  75 bedden. Hoewel collega’s zijn experiment argwanend gadesloegen, liet geneesheer-directeur Kehrer hem zijn gang maar gaan. Na zestien dialyses die geen succes hadden, lukte het om een patiënt na dialyse in leven te houden. Hoe de kunstnier de jaren erna verbeterde en zijn weg vond in de ziekenhuizen, wordt hierna verhelderd en mooi beschreven.

Vooraanzicht Ziekenhuis Kampen

Het boek laat vooral zien hoe moeizaam de introductie van zo’n nieuwe uitvinding als de kunstnier in de medische wereld ging. Kolff emigreerde in 1950 niet voor niets zwaar teleurgesteld naar de Verenigde Staten. Daar werd hij wel met open armen ontvangen en kreeg de ene na de andere award. Ook internist H. W. Scalonge uit Rotterdam moest in 1948 in het Tijdschrift voor Ziekenverpleging toegeven, dat Nederland trots mocht zijn op Willem Kolff. Dit is medische geschiedenis bij uitstek.

Hoofdzuster Maria ter Welle aangesloten aan het dialyse apparaat

Maar niet alleen medische, ook de verpleegkundige geschiedenis kan hier veel van leren. Zo was hoofdzuster Maria Ter Welle (1900-1946) aanwezig bij de allereerste nierdialyse in het ziekenhuis, waarbij de patiënt uiteindelijk stierf. Dr. Kolff had aanvankelijk geaarzeld om de doodzieke patiënt, wiens nieren het bijna hadden begeven, te dialyseren. Hoofdzuster Ter Welle had hem met de woorden ‘Probeer het maar dokter, hij gaat toch dood’ over de streep getrokken. Deze praktisch ingestelde hoofdzuster Ter Welle werd een betrouwbare steunpilaar voor Kolff. Ze was ook niet te beroerd om zich voor een foto ten behoeve van Kolffs proefschrift aan te laten sluiten aan het dialyseapparaat. Ter Welle verzamelde een aantal vaste verpleegkundigen om zich heen, onder wie zuster Grieteke van den Noort, die bij iedere nieuwe poging om een patiënt te dialyseren klaar stonden om te assisteren. Hun werk was bepaald geen sinecure. Tijdens de urenlange dialyse moest de patiënt goed in de gaten worden gehouden. Het moet voor de verpleegkundigen opwindend zijn geweest om deel uit te maken van deze experimentele fase. Als eerbetoon aan hoofdzuster Ter Welle is de Maria ter Welle Prijs in het leven geroepen door de Nierstichting en de Willem Kolffstichting.

Ook in het St. Clara Ziekenhuis te Rotterdam, waar internist Erik Ernst Twiss in de jaren ’50 het dialyseapparaat  ging gebruiken en doorontwikkelde, werd duidelijk hoe essentieel de rol van verpleegkundigen bij deze behandeling was en is. In de interviews met een drietal dialyse verpleegkundigen van het eerste uur komt dat glashelder naar voren.

Verpleegkundigen van het St. Clara Ziekenhuis Rotterdam (ca. 1965)

De les die beide auteurs de lezer meegeven is, dat je pioniers nooit moet tegenhouden maar juist moet stimuleren. Kortom, dit boek is een pareltje voor zowel medici als verpleegkundigen.

Het boek is hier te bestellen: https://hermanbroers.nl/product/het-land-van-de-kunstnier/

 

 

 

Rust, reinheid en regelmaat

Eind september verscheen dit mooie boek over de drie R’n, getiteld Rust, Reinheid en Regelmaat. Wijsheid van vroeger voor het leven van nu, uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar.

De auteur Wilma de Rek, chef Boeken bij De Volkskrant, gaat hierin op zoek naar de Big History van de drie R’n, door veel mensen ook wel de drie R’s genoemd. Hoe je ze ook noemt, iedere verpleegkundige, wijkverpleegkundige, jeugdverpleegkundige en verzorgende weet wat met deze drie letters wordt bedoeld. Vaak passen ze deze kernbegrippen nog dagelijks toe in de praktijk van ziekenhuis, wijkverpleging en verpleeghuis. Ook in het leven van alledag zijn het nog uitermate nuttige uitgangspunten om een goed en gezond leven te hebben.

Statistiek over zuigelingensterfte door Sien van Hulst

Rust, Reinheid en Regelmaat

Niet iedereen kent de oorsprong van deze drie historisch woorden. En eigenlijk zouden alle professionals in de verpleging en verzorging dit moeten weten. Waarom? Het was namelijk hun vroege collega die deze begrippen onsterfelijk maakte. De Harlinger wijkverpleegkundige Aafke Gesina van Hulst (1868-1930), vaak Sien genoemd, introduceerde de begrippen in 1905. En wel met zoveel overtuigingskracht dat ze tientallen jaren de wachtkamers van consultatiebureaus sierden. Zelfs vandaag de dag heeft bijna elke Nederlander wel een idee van de betekenis van de begrippen Rust, Reinheid en regelmaat. Volgens de auteur komt dat omdat van deze woorden iets rustgevends uitgaat, iets van overzicht en controle hebben. Ze beschrijft op meeslepende wijze de historie van de drie R’n. Daarbij schuwt ze niet om onverwachte uitstapjes te maken naar een ver verleden, waardoor je ineens heel anders naar de drie R’n gaat kijken. Het doel van haar zoektocht is te laten zien hoe mensen in deze hectische tijden deze begrippen kunnen gebruiken om gezonder en aangenamer te leven. Was dat ook niet de intentie van Sien van Hulst?

Aafke Gesina van Hulst (1868-1930)

Sien van Hulst

Zoveel omvattend zijn deze begrippen nog nooit behandeld. Alleen daarom al is het boek meer dan de moeite waard. Toch is voor iedere professional in de verpleging en verzorging vooral deel 2, dat gaat over ‘Reinheid’, buitengewoon interessant en leuk. Hier komt de wereld van Sien van Hulst, wijkverpleegkundige pur sang, sprankelend tot leven. Alleen al om die reden moet iedere professional dit boek in de kast hebben staan.

Ook zin om dit boek te lezen of cadeau te geven?

Je kunt het hier bestellen:

https://libris.nl/a/wilma-de-rek/rust–reinheid-en-regelmaat/501584488#paperback-9789038815077

Nu al meer weten over Sien van Hulst? Kijk hier:

https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Hulst

 

Het diploma van Frederike Meijboom

Op 29 oktober 1901 behaalde Frederike Meijboom eindelijk haar verpleegstersdiploma. Dat moet voor haar een enorme opluchting zijn geweest. Ze heeft haar opleidingsjaren als een ware hel ervaren.

Ze startte met de verpleegstersopleiding in 1897 in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Dat liep vrijwel meteen uit op een drama. Ze kon absoluut niet door een deur met directrice Cort van der Linden. Beide dames hadden de ene na de andere aanvaring.

Burgerziekenhuis Amsterdam (1891)

Heftige conflicten

Mogelijk was de aanleiding voor deze ruzies het feit dat ze beiden uit de gegoede klasse kwamen, zij het dat directrice Cort van der Linden een trapje hoger was geboren dan Meijboom. Maar binnen de strikte hiërarchie van het ziekenhuis moest Frederike zich schikken naar de wensen en bevelen van haar meerdere, de directrice. Dat vond ze helemaal niets en dat liet ze ook duidelijk merken. Na een heftig conflict in december 1899 was de maat voor Frederike vol. Toen ze een week vrij had om thuis de kerstdagen door te brengen, liepen de spanningen daar hoog op. Haar vader en moeder probeerden haar tot bedaren te brengen, maar Frederike was diep beledigd. Ze weigerde haar verontschuldigingen aan de directrice aan te bieden en besloot ontslag te nemen. Eenmaal terug in het ziekenhuis na de feestdagen probeerde de directrice haar nog te paaien om te blijven, maar tevergeefs. Frederike  stuurde haar ontslagbrief in. Voor die tijd was dat voor een leerling-verpleegster een hele ongebruikelijke stap. Dat betekende namelijk dat je het als leerling wel kon vergeten om je opleiding in een ander ziekenhuis voort te zetten. Je stond voor altijd op een zwarte lijst. Maar niet Frederike!

Frederike Meijboom in het midden, ca. 1910

Eindelijk gediplomeerd

Met behulp van haar vader, die militair arts was en die veel nuttige contacten had, kon ze haar opleiding voortzetten in het Gemeente Ziekenhuis in Den Haag. Daar moest ze wel een leerjaar over doen. Hoewel ze de sfeer in dit ziekenhuis stukken beter vond dan in Amsterdam, kreeg ze ook hier een aantal flinke conflicten die haar in de problemen brachten. Maar met Frederike Meijboom hoefde je geen loopje te nemen en dus mocht ze na veel vijven en zessen eindelijk op 29 oktober 1901 het verpleegstersexamen afleggen.

Diploma van Frederike Meijboom (1901)

In vier stukken

Toen ik de archiefstukken van Frederike Meijboom aan het bestuderen was, had ik een heus ‘Eureka’ momentje toen ik haar diploma vond. Het lag wat weggefrommeld tussen een stapel papieren en het was in zeer slechte staat. Het leek wel of het in vier stukken was gescheurd en later weer aan elkaar geplakt, waarschijnlijk toen Frederike eind jaren ’60 haar persoonlijke archief afstond. Ik heb me wel eens afgevraagd of het diploma van zelf kapot is gegaan. Ik heb heel wat oude diploma’s door mijn handen laten gaan, maar dit heb ik nooit eerder gezien. Of zou Frederike het zelf uit wraak, boosheid of teleurstelling ooit in vier stukken hebben gescheurd? Hoe dan ook, het mag in ieder geval nooit gerestaureerd worden. Laten we vooral blijven fantaseren over wat er met dit diploma is gebeurd. Want dit is een stukje verpleegkundig erfgoed van de eerste orde!

 

De Belgische Florence Nightingale

Onlangs verscheen van de hand van de Belgische historicus Luc de Munck het boek Altijd de eerste. Zuster Jules-Marie Heymans (1897-1986). Pionier van de verpleegkunde in België. Deze biografie beschrijft het leven van Jules-Marie Heymans (1897-1986), die wordt beschouwd als de belangrijkste persoon uit de geschiedenis van de katholieke verpleegkunde in België.

Les in het Sint-Vincentiusziekenhuis te Gent

Jules-Marie behaald in 1917 het diploma voor ziekenverpleegster en in 1923 trad ze in bij de katholieke Orde van de Zusters van Liefde. Furore maakte ze toen ze in 1926 haar studie geneeskunde afrondde aan de Universiteit van Leuven. Daarmee werd zij de eerste vrouwelijke religieuze arts in België. Kort daarna kreeg ze de functie van directrice van de Sint-Vincentiuskliniek in Gent. Ook de daaraan verbonden verpleegstersschool, die onder leiding van de Zuster van Liefde stond, kwam daarmee onder haar hoede. In 1938 werd ze secretaresse van het Verbond der Verzorgingsinstellingen, een belangenorganisatie voor katholieke verzorgingsinstellingen. Later was ze actief in het NVKVV, de Vlaamse Katholieke Beroepsorganisatie voor Verpleegkundigen, en in de International Council of Nurses, de ICN.

Zuster Jules-Marie op latere leeftijd

Ook de eerste universitaire opleiding voor verpleegkundigen op het Europese vasteland kwam in 1939 onder haar leiding. Deze ‘Universitaire Normaalschool voor Verpleegsters-Monitrices’ in Leuven groeide uit tot een modelschool op universitair niveau. Vergeleken met de ontwikkelingen in Nederland was dit dus heel vroeg. Een vergelijking zou interessant materiaal kunnen opleveren. In 1961 werd Jules-Marie de eerste vrouwelijk lector aan de Leuvense Universiteit.

Zuster Jules-Marie heeft dus een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van de katholieke verpleging in België. Ze toonde leiderschap en beschikte over grote bestuurlijke kwaliteiten, waardoor ze met recht een pionier genoemd kan worden. Interessant zou het zijn om de katholieke verpleging en de lekenverpleging in België met elkaar te vergelijken. Maar dat is iets voor een volgend boek van Luc de Munck.

Dit mooie boek is mede tot stand gekomen met een subsidie van de Stichting Zuster Vernède.

Wil je dit interessante boek ook lezen?

Je kunt het hier bestellen:
https://www.bol.com/nl/nl/p/altijd-de-eerste/9300000173130204/

 

Vier Amsterdamse directrices

A. Reynvaan, oud-directrice Wilhelminagasthuis

Dit jaar is het 125 jaar geleden dat vier Amsterdamse (adjunct) directrices om de tafel zaten en besloten een Bond op te richten. Dat was in 1899. Dat jaar moet je alleen al onthouden omdat toen ook de International Council of Nurses, de ICN, is opgericht. Erg voortvarend gingen de vier directrices nog niet te werk, maar de bedoeling was te prijzen

Op 11 oktober 1899, dit jaar dus 125 jaar geleden, richtten vier Amsterdamse (adjunct) directrices de ‘Bond van Directrices en Adjunct-Directrices van Ziekeninrichtingen en Vereenigingen voor Ziekenverpleging ’ op, kortweg de ‘Bond van Directrices’ genoemd. De vier dames waren Geerarda Bernardine Cort van der Linden, directrice van het Burgerziekenhuis en tevens voorzitter, Lientje Kruysse, adjunct-directrice van het Wilhelminagasthuis, Anna Reynvaan, oud adjunct-directrice van het Wilhelminagasthuis en mej. H. Ulfers, adjunct-directrice van het Binnengasthuis.

Leerling-insigne Wilhelminagasthuis

Het doel van de ‘Bond van Directrices’ was om met elkaar in een vertrouwde omgeving de problemen te bespreken waar directrices rond 1900 tegen aan liepen. En dat waren er nogal wat. Volgens Anna Reynvaan, secretaresse van de club, waren er “tal van quaesties en bezwaren” die zij als leidinggevenden moesten oplossen.

L. Kruysse, adjunct-directrice Wilhelminagasthuis

Onberispelijke zalen

In de praktijk hadden deze vroege directrices meestal een beperkte opleiding gehad en hadden ze weinig ervaring van het dagelijkse werk op zaal. Hun voornaamste taak was het om beschaving te brengen in de ziekenhuizen, die vaak nog functioneerden met personeel uit de tijd van de oude gasthuizen. Deze eerste generatie directrices was niet in de eerste plaats aangenomen om zelf medische of verpleegkundige handelingen te verrichten. Van hen werd verwacht dat zij zich bezig hielden met de transitie naar moderne, beschaafde ziekenverpleging. Ze moesten er vooral op letten dat de vrouwen die zich meldden om de verpleegstersopleiding te volgen over de juiste beschaving beschikten. Bij deze opleiding leerde de geneesheer-directeur hen de theorie en de adjunct-directrice de praktijk. Daarnaast moesten de directrices het ziekenhuis managen, zoals je dat doet bij een groot huishouden met veel personeel. En dat konden deze dames goed, want dat was precies het milieu waarin ze opgegroeid waren. Dat betekende dat de linnenkast op orde moest zijn, dat ze controle hielden op diefstal en dat het eten niet te duur mocht worden ingekocht. Ook moesten de ziekenzalen onberispelijk zijn tijdens de doktersvisite, waarbij de patiënten in uniforme ziekenhuiskleding in bed lagen.

G. B. Cort van der Linden, directrice Burgerziekenhuis

Kritiek op de directrices

Voor deze belangrijke functie, die hiërarchisch direct onder de geneesheer-directeur viel, kregen de directrices niet betaald. Dat wilden ze zelf niet en was ook niet nodig. Ze hoefden er immers niet van te leven zoals de ‘gewone’ verpleegsters. Maar toen ziekenhuizen vanaf 1895 groeiden, medische behandelingen ingewikkelder werden en jonge artsen met moderne ideeën in dienst kwamen, kregen deze dames-directrices, zoals ze ook genoemd werden, steeds vaker kritiek. Het zou hen ontbreken aan kennis over moderne ziekenverpleging. Ze liepen achter de feiten aan, konden de vernieuwingen niet bijbenen en kregen het steeds moeilijker. De tweede generatie directrices, beter opgeleid en met meer ervaring, namen hun posities in.

Ruzie met Meijboom

Leerling-insigne Burgerziekenhuis

Zo botste Frederike Meijboom in 1897 als leerling-verpleegster in het Burgerziekenhuis heftig met directrice Cort van der Linden (op haar japon draagt ze het ziekenhuis insigne). Meijboom verweet haar weinig ervaring als verpleegster te hebben, iets dat de directrice haar natuurlijk niet in dank af nam. Toen Meijboom zelf adjunct-directrice was, vroeg men haar diverse keren om lid te worden van de ‘Bond van Directrices’. Ze weigerde dit zolang directrice Cort van der Linden presidente was.

Bij gebrek aan een foto van H. Ulfers, het gebouw

Toen Frederike Meijboom in 1920 zelf voorzitter van de ‘Bond van Directrices’ was, wist ze het gezapige clubje, dat toen uit ongeveer 50 leden bestond, een enorme impuls te geven. Relevante onderwerpen over leiderschap en salariëring stonden nu op de agenda. Ook bracht ze  internationale aansluiting met zusterorganisaties tot stand, waarvoor Meijboom graag naar het buitenland afreisde. In 1969 veranderde de naam in ‘Vereniging van Verpleegkundig Directrices en Directeuren van Ziekenhuizen’. Vanaf die tijd zou de functie van adjunct-directrice ook langzaam uit het ziekenhuis verdwijnen om plaats te maken voor economen en managers.

Leerling-insigne Binnengasthuis

 

De avonturen van Albertine Brij

In de tijd dat personenvervoer naar verre landen nog met grote passagiersschepen gebeurde, was daar altijd een ziekenboeg aan boord. Een scheepsarts en -verpleegkundige verzorgden daar de zieke en gewonde passagiers. Een van de verpleegsters die zich vrijwillig aanmeldde om dit avontuurlijke werk te doen, was Albertine Brij.

De jeugd van Albertine Arnolda Brij (1913-1993) speelde zich af in Vlaardingen, waar ze opgroeide in een streng protestants gezin. Haar vader was verzekeringsagent, haar moeder waarschijnlijk huisvrouw. Tegen de zin van haar ouders koos Albertine, ook wel Jo genoemd, voor de verpleging en volgde ze als leerling-verpleegster de 3-jarige opleiding in het ziekenhuis in Gouda. Tegen een Engelse journaliste zei ze over die tijd: ”You should see how I looked in my student days”. Hier haalde Albertine het A-diploma Ziekenverpleging, aansluitend de kraamaantekening en later nog de wijkaantekening.

Insigne A-verpleging met kraam en wijkaantekening

Naar zee

In 1938 verhuisde de net gediplomeerde zuster Brij naar Rotterdam, waar ze een paar maanden op de chirurgische afdeling van het Coolsingelziekenhuis werkte. Maar het avontuur trok en “I took my chance”, aldus zuster Brij. In de zomer van 1939 ging ze als scheepsverpleegkundige aan boord van de Nieuw Amsterdam, het schip dat de vaardienst tussen Rotterdam en New York onderhield. Op het schip had ze de supervisie over het ziekenhuis aan boord, dat beschikte over vier ziekenzalen. Ook moest ze eerste hulp verlenen en soms assisteren bij operaties.

S.S. de Pennland

Toen de Tweede Wereldoorlog in Nederland in 1940 uitbrak, stopte de Nieuw Amsterdam met de overtochten naar Amerika. Albertine Brij leek werkeloos te worden, maar meldde zich al snel bij het Nederlandse schip de S.S. Pennland dat de opdracht kreeg om naar Engeland te varen om daar vrouwen en kinderen op te halen en naar Amerika te brengen. Toen het schip aankwam in Engeland, veranderde de Engelse en Nederlandse regering van gedachten en besloot de S.S. Pennland in te zetten voor de verplaatsing van troepen. Zuster Brij werd gevraagd in dienst te blijven, wat ze ook deed.

De ondergang van S.S. Pennland

Met deze nieuwe opdracht zou voor zuster Brij een gevaarlijke maar ook avontuurlijke periode aanbreken. Albertine Brij en een stewardess waren de enige vrouwen aan boord. De S.S. Pennland vertrok vanuit Belfast dwars door het Suezkanaal naar Egypte. Van Alexandrië vervoerde het schip een grote troepenmacht naar Griekenland en weer terug. Zuster Brij verpleegde de zieken en hield zich kranig staande te midden van de vaak ruwe passagiers.

Albertine Brij, de eerste officier en de purser

Toen de Duitsers op 6 april 1941Griekenland binnenvielen, begonnen de geallieerden met het evacueren van hun troepen. De S.S. Pennland vertrok op dat moment vanuit Alexandrië naar Griekenland om duizenden Australische soldaten te evacueren. Dat was de laatste reis, want op 25 april 1941 werd het schip door de Duitsers op volle zee gebombardeerd. Het was zo zwaar beschadigd dat het niet meer te redden viel en door een Brits oorlogsschip tot zinken werd gebracht. Tijdens deze aanval, waarbij vier doden vielen, ontstond grote paniek, want de opvarenden moesten het schip, dat door zeven bommen geraakt was, in allerijl verlaten. De eerste officier, een purser en Albertine Brij hielpen hierbij. Zuster Brij verzorgde de zwaar gewonde bemanningsleden.

Drie helden

Alle drie kregen in New York in 1942 uit handen van Koningin Wilhelmina het prestigieuze Kruis van Verdienste. Zuster Brij kreeg hem omdat ze “onder gevaarvolle omstandigheden moedig optrad en groote plichtsbetrachting betoonde”.

Het Kruis van Verdienste

In het gerenommeerde Engelse ‘A Journal for Nurses’ van december 1942, uitgegeven door de Royal College of Nursing, wordt Albertine Brij uitvoerig geïnterviewd en geprezen voor haar dappere optreden.

Leerling insigne Gemeenteziekenhuis Dijkzigt

In maart 1947 keerde Albertine Brij terug naar Nederland, waar ze een jaar later de aantekening Wijkverpleging haalde aan de School voor Gereformeerde Wijkverpleging te Rotterdam. Het is niet precies te achterhalen wanneer ze adjunct-directrice in het Coolsingelziekenhuis werd, maar in ieder geval vervulde ze die functie in 1952. Vanaf die tijd was ze ook actief als bestuurslid van de Nederlandse Bond voor Ziekenverpleging, hield ze lezingen en was ze lid van de ‘Vereniging voor Administratie en Economie in Ziekeninrichtingen’. Vanaf 1955 schreef ze regelmatig in het Tijdschrift voor Ziekenverpleging over thema’s als de opleiding voor aspirant-verpleegsters, over het verpleegsterstekort en over de verhouding tussen artsen en verpleegsters. Kortom, na haar avonturen in oorlogstijd speelde Albertine Brij een belangrijk rol bij de professionalisering van het verpleegkundig beroep.

De roman ‘Zuster ter zee’

Na haar terugkeer uit de Verenigde Staten is het leven van Albertine Brij getekend door twee ingrijpende gebeurtenissen. In de eerste plaats verscheen in 1949 een roman van de hand van de schrijver Adriaan van der Veen. Het boek heet “Zuster ter zee”, uitgegeven bij Querido. Hoewel het nergens met zoveel woorden gezegd wordt, is deze roman een geromantiseerde weergave van de belevenissen van Albertine Brij tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De roman Zuster ter zee

De hoofdpersoon in het boek is de Nederlandse verpleegster Tine Buys. De roman schetst een psychologisch portret van Tine, waarbij er veel aandacht is voor haar karakter. Tine Buys groeide op in een benauwd kerkelijk milieu in Vlaardingen. Ze is een gesloten, eenzame vrouw en komt als scheepsverpleegster via een verblijf op Kreta in New York terecht. Daar ontmoet ze een jonge Nederlandse man, die haar inwijdt in het stadse leven, wat haar uiteindelijk noodlottig wordt, aldus de flaptekst. Zeer ongebruikelijk voor die tijd beschrijft Adriaan van der Veen hoe Tine tot de ontdekking komt dat ze zich aangetrokken voelt tot vrouwen. De spanning in de roman is voelbaar. De schrijfster Anna Blaman, zelf openlijk lesbisch, prees het boek als een voortreffelijke roman en ook F. Bordewijk was enthousiast vooral vanwege de ‘niet geforceerde moderniteit’.

Hoewel we niet precies weten wat de publicatie van dit boek voor Albertine Brij zelf heeft betekend, is mij mondeling door een collega die haar goed kende, meegedeeld dat ze er bepaald niet blij mee was. In 1961 verscheen de tweede druk van het boek, nu uitgegeven bij Salamander. Hierna overwoog Albertine Brij een advocaat in te schakelen om het boek te laten verbieden. Na veel gesprekken met de eerder genoemde collega besloot ze verdere acties te laten rusten. Hier is een recensie van het boek in de Vlaamse Gids van 1950: https://www.dbnl.org/tekst/_vla001195001_01/_vla001195001_01_0055.php

‘Zuster Brij gaat vrijuit’

Een tweede vernederende gebeurtenis in het leven van Albertine Brij vond plaats eind jaren ’60. In die periode werden het Algemeen Ziekenhuis Dijkzigt en het Sophia Kinderziekenhuis gepromoveerd tot Academische Ziekenhuizen. Als adjunct-directrice van het Dijkzigt Ziekenhuis zat Albertine Brij in het bestuur. In oktober 1969 werd zij vanwege een geschil over een ‘organisatorische kwestie’ geschorst en niet capabel geacht om haar taken verder uit te voeren. In augustus 1972 komt het inmiddels nieuwe bestuur van het ziekenhuis terug van deze beslissing en wordt Albertine Brij gerehabiliteerd.

A Journal for Nurses, 1942

De manier waarop dat gebeurt, is bepaald niet fraai. In het huisblad van het ziekenhuis verschijnt een kort stukje waarin Albertine Brij wordt geprezen om wat ze allemaal voor het ziekenhuis heeft gedaan. Zelf is zuster Brij dan al met buitengewoon verlof en gaat ze kort daarna met vervroegd pensioen. Zowel het op non-actief zetten als de rehabilitatie van zuster Brij worden in de kranten breed uitgemeten met de kop ‘Zuster Brij gaat vrijuit’.

Deze affaire paste overigens naadloos bij de manier waarop de adjunct-directrices in de Nederlandse ziekenhuizen vanaf de jaren ’60 uit de bestuurlijke top van ziekenhuizen zijn gemanoeuvreerd. Een onbeduidende aanleiding was voldoende om ze te ontslaan, ze weg te promoveren naar een lagere functie of ze met vervroegd pensioen te sturen. Managers en economen namen de plaats van de (adjunct)-directrices in.

Actief in haar nadagen

Na haar vertrek uit het Rotterdamse ziekenhuis bleef Albertine Brij aan de zijlijn actief op verpleegkundig gebied. Ze schreef boekrecensies in het Tijdschrift voor Ziekenverpleging, werd secretaris van de ‘Nederlandse Vereniging van Directeuren van Ziekeninrichtingen’ en adviseur bij adviesbureau Twijnstra & Gudde. Ook gaf ze lezingen met de titel ’De plaats van de verpleegkundige in de leiding van het ziekenhuis’, een onderwerp waar ze inmiddels alles vanaf wist. Misschien kon ze hiermee haar frustratie een beetje verwerken.

Albertine Arnolda Brij overleed op 21 oktober 1993.