Een nieuwe geschiedenis van verpleegkundigen

Onlangs heeft Uitgeverij Unieboek Het Spectrum mij gevraagd om een nieuw boek over de geschiedenis van verpleegkundigen in Nederland te schrijven. Hier onderteken ik het contract.

Daar moest ik even over nadenken, maar niet lang. Want wat een mooie opdracht ligt er hiermee op mijn bordje. Het is belangrijk en ook noodzakelijk dat er met een frisse blik en met nieuwe vragen naar de verpleegkundige geschiedenis wordt gekeken. Is er dan de afgelopen 25 jaar niets gebeurd op dit gebied? Natuurlijk wel! Er verschenen mooie artikelen over verschillende thema’s uit die geschiedenis en zelfs een enkel proefschrift. Maar het zijn druppels op een gloeiende plaat. We blijven nog steeds flink achterlopen bij de landen om ons heen als het gaat om de geschiedenis van verpleegkundigen. Van de artikelen die de afgelopen jaren zijn gepubliceerd, zal ik uiteraard graag gebruik maken.

Frederike Meijboom aan haar bureau, ca. 1960

In de ijskast

Werk aan de winkel dus. Dat betekent helaas dat de biografie over Frederike Meijboom even in de ijskast moet. Dat was geen makkelijk besluit, maar ik denk dat Frederike het wel had begrepen als ik haar dit dilemma had kunnen uitleggen. Ook haar levensverhaal komt er!

Verpleging in de reclame

Je kunt het je bijna niet meer voorstellen maar tot ver in de jaren ’70 waren verpleegkundigen een uitgelezen beroepsgroep om bepaalde producten aan de man te brengen. Te gebruiken voor reclame dus. Vooral een zuster in wit uniform met dito sluier deed het goed in de reclames. Interessant is trouwens de vraag of mannelijke verplegers ook in reclames mochten optreden. Wie zoekt het uit?

Blikje Droste cacao

Een van de eerste reclame afbeeldingen met verpleegsters in het middelpunt is de bekende cacao reclame van Droste. Mateloos populair, tot op de dag van vandaag. Cacaopoeder van Droste, een luxe product, moest aan de man gebracht worden. Dus bedacht de fabrikant dat cacao gezond was voor lijf en leden. Hele serviezen, chocolademelk kannen, bekers en dienbladen kwamen in omloop. En wie konden zo’n product nu beter propageren dan verpleegsters uit die tijd! Op de vroegste blikjes cacaopoeder uit ca. 1908 stond de ‘verpleegster’ afgebeeld met een Rode Kruis band om haar arm. Gezondheid gekoppeld aan hulpvaardigheid dus. Maar dat was tegen het zere been van het Nederlandse Rode Kruis. Deze machtige, door het koningshuis gesteunde organisatie had het alleenrecht op het logo en tekende onmiddellijk protest aan. En met succes. De verpleegster op het cacaoblikje zou na 1908 nooit meer met de Rode Kruis afgebeeld worden.

Tip: mocht je ooit ergens een Droste blikje met een zuster mét Rode Kruis armband tegenkomen, koop het dan direct, want het is inmiddels een kostbaar collectors item.

Onbreekbaar Mepal ziekenhuisservies

Met een pepermuntje onder de dekens

Behalve Droste maakte ook de fabrikant van King pepermunt graag gebruik van verpleegkundigen. Twee zusters die elkaar tijdens het werk op een pepermuntje trakteren om er daarna weer flink tegenaan te kunnen. Kopen dus die lekkernijen, was de boodschap. En wat te denken van de firma Mepal? Het onbreekbare Mepal serviesgoed was ideaal in de ziekenhuiskeuken. Een advertentie met een zuster met een stapel borden die uit haar handen glipt met daarboven de tekst ‘Onbreekbaar!’ stond in elk ziekenhuistijdschrift. ‘Mooi als porselein en 30x duurzamer’, schreeuwt de reclame.

Ook leuk is de reclame van AaBe dekens op de hoofdfoto. Twee verpleegkundigen maken het ziekenhuisbed op met een fris gestreken wit laken en een wollen deken met strepen. Elk ziekenhuis gebruikte ze. De dekens waren van zuiver scheerwol en dus lekker warm, zeker voor reumapatiënten. De reclame beweert zelfs dat de deken reumatiek kon voorkomen. Ondenkbaar nu. Terwijl de beide zusters het bed opmaken laat de een het merk van AaBe aan de ander zien met de woorden ‘Zie, als je dat maar hebt..!’. De reclamestunt heeft goed gewerkt want sinds kort zijn de AaBe dekens weer volop te koop, nu zonder strepen maar in vrolijke kleurtjes.

Allesbehalve gezond

Reclame voor het sigarettenmerk Red Apple

Ook bekend is de Pleegzuster bloedwijn, een versterkende drank gebaseerd op rode wijn met ijzerverbindingen. Deze wijn beweerde een heilzame werking te hebben en was in de jaren ’70 heel populair. Vreemd is de relatie met het begrip pleegzuster. Die term is immers na 1920 vervangen door de term ‘verpleegster’. Op de meeste etiketten van Pleegzuster bloedwijn staat een religieuze zuster afgebeeld en geen lekenverpleegster. Mogelijk is er een relatie met kloosters, kruiden en gezondheid gelegd. Sinds 1998 mag Pleegzuster bloedwijn niet meer als medicijn worden gepropageerd omdat er alcohol in zit.

En dan was er nog de reclame voor sigarettenmerken, ook ondenkbaar inmiddels! Nurse Bonnie paft er op de foto lustig op los. De ongetwijfeld Amerikaanse reclame voor het merk Red Apple beweert zelfs dat “An Apple a day keeps the Doctor away!”. Red Apple verkoopt tegenwoordig allerlei smaakjes voor ongezonde vapes. Het is maar dat je het weet.

Koelkast voor de zuster

Een nieuwe Netflix serie?

gezondheid, haalden reclamemakers de verpleging, en nog liever de verpleegkundige zelf, van stal. Je hoeft maar een medisch of verpleegkundig tijdschrift open te slaan uit de jaren ’50 of een stralende verpleegster lacht je toe met een of ander product. Dat is tegenwoordig wel anders. Nog steeds worden veel producten gekoppeld aan gezondheid en hygiëne, maar een link met verpleegkundigen mag niet meer gelegd worden. Dat zou inmiddels massaal protest uitlokken. Hoe wordt het verpleegkundig beroep dan eigenlijk op prime time onder de aandacht gebracht? TV Series als Malaika en Charlie leken veelbelovend, maar trokken nauwelijks kijkers en verdwenen al snel van de buis. Misschien moeten we de geschiedenis van de verpleging maar eens in beeld brengen en daar een kijkcijfercanon van maken. Wat dat betreft kunnen we een voorbeeld nemen aan hoe de Britten dat doen. Het succes van ‘Call the Midwife’ bijvoorbeeld. In deze nog steeds lopen serie, gebaseerd op de memoires van Jennifer Worth, krijgt de kijker een indringend kijkje in het werk van verloskundigen in een achterstandswijk jaren ’50. De serie sleept de ene na de andere Award in de wacht.

Pleegzuster bloedwijn

Een nog indrukwekkender BBC serie is ‘ Casualty 1900s’. Hierin draait het om de vroege verpleging in het London Hospital. Dat de serie zo boeit, komt ongetwijfeld doordat hij van begin tot eind op authentieke bronnen is gebaseerd. Een fanclub, met de Amerikanen aan het hoofd, pleit inmiddels voor een vervolg. Een geweldige reclame voor wijze waarop verpleegkundigen zich in de meest bizarre omstandigheden staande weten te houden. Is het niet eens hoog tijd dat we ook in Nederland een serieuze (Netflix?)serie over de Nederlandse verpleging maken, gebaseerd op primaire bronnen?

Een effectievere reclame kan ik me niet voorstellen!

 

 

 

 

GA TERUG NAAR ACTUEEL

Hoe een topstuk boven water kwam

Op 4 april jl. overleed Eveline Pfundt-Doorn (1931-2023), een toegewijd en actief verpleegkundige. Zij heeft onbewust een belangrijke rol gespeeld bij de vondst van het beroemdste topstuk uit de verpleegkundige geschiedenis: de pop van wijkverpleegster Antje Stieltjes.

Wat was het geval? In oktober 2003 hield ik als directeur van het Florence Nightingale Instituut, nu precies 20 jaar geleden, een lezing op de Vriendendag over een totaal onbekende wijkverpleegster. Niemand had ooit gehoord van zuster Antje Stieltjes (1866-1931). Maar dat zou veranderen.

Wijkverpleegster Antje Stieltjes, rechts

Emma en Wilhelmina

In mijn lezing stond de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid centraal, een gebeurtenis die plaatsvond in 1898 in Den Haag. Het was een evenement dat de gemoederen in heel Nederland maandenlang bezighield. Honderden bezoekers, vooral vrouwen, bezochten de congressen, de lezingen en de tentoonstellingen die georganiseerd waren. Bij al die evenementen draaide het om het concrete werk van vrouwen. Waar werkten vrouwen allemaal in 1898 en welk aandeel hadden ze in de economie van Nederland? Natuurlijk waren er ook lezingen en exposities over de verpleging, een vrouwenberoep bij uitstek in die tijd. Aanleiding voor de tentoonstelling was de kroning van Wilhelmina tot koningin, een vrouw dus. Samen met haar moeder Emma bezocht ze de Tentoonstelling op 29 augustus, een week voor haar kroning. Terwijl de hoogheden uit de koets stapten, speelde de dameskapel het Wilhelmus. Wilhelmina en Emma had in totaal 18 medailles beschikbaar gesteld aan de organisatie, waarvan 2 gouden, 6 zilveren en de rest bronzen medailles. De meest originele inzending van vrouwenarbeid kon meedingen naar een medaille. Vanuit het hele land stuurden vrouwen producten in: zelfgemaakte kaarsen, borduurwerkjes, boekjes, knip- en naaiwerk. Van al die objecten was, zo dachten historici bij het 100-jarig jubileum van de tentoonstelling in 1998, niets meer bewaard gebleven. Tot dit gebeurde.

Antje, een wijkverpleegster uit Deventer

Antje Stieljes ca.1898

In het kader van dat jubileum was ik in 1998, 100 jaar later dus, gevraagd mee te werken aan een gedenkboek over die tentoonstelling. Het boek “Gezond en wel. Vrouwen en de zorg voor gezondheid in de twintigste eeuw” was het resultaat. Tijdens het archiefonderzoek voor mijn bijdrage aan de bundel was ik gestuit op een voor mij onbekende zuster, Antje Stieltjes (1866-1931). Uit de stukken bleek al snel dat zij een zilveren medaille had gewonnen. Werkzaam als wijkverpleegster in de omgeving van Deventer had zij voor arbeiders met eczeem een speciaal verband ontwikkeld, het zg. Werkmansverband. Dat verband was zo’n succes, dat zij besloot mee te doen aan de wedstrijd die in 1898 door de organisatie van de Tentoonstelling was uitgeschreven. Ze kocht een klein popje (een Kate Krusepopje voor de liefhebbers) en verbond dat met het door haar zelf bedachte verband, precies zoals ze deed met haar patiënten. Ze stuurde het popje vervolgens in een schoenendoos naar de organisatie van de Tentoonstelling.(Later las ik ergens dat ze een tweede popje op dezelfde manier naar Groot-Brittannië had gestuurd). Met haar inzending won Antje Stieltjes de zilveren medaille. En dat was voor een eenvoudige wijkverpleegster uit Deventer in 1898 een hele gebeurtenis.

De schoenendoos die op tafel stond

Een popje in een schoenendoos

Tijdens mijn lezing voor de Vriendendag zaten ook Eveline Pfundt en haar man Rob in de zaal, beiden trouwe vrienden van het Florence Nightingale Instituut. Zoals altijd waren ze al vroeg van de partij. Enkele weken later belde Eveline me op. Ze vertelde dat ik spoorslags naar Prinsenbeek bij Breda moest gaan om daar een bezoek af te leggen bij een oude dame, Johanna Hulshoff van Weteringen. Ik moest me melden bij de wijkverpleegkundige aldaar. Bij een boerderijtje aangekomen volgde ik de wijkverpleegkundige naar binnen. In het schemer zat een oude dame in een ouderwetse leunstoel. We maakten kennis en dronken een kopje thee. Ik had geen idee wat me wachten stond. De oude dame vroeg me: “Ben jij de auteur van dat artikel over zuster Antje Stieltjes?” Ja, zo’n artikel had ik inderdaad geschreven in de bundel over de 100-jarige herdenking van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Tot mijn verbazing had de broze dame een schoenendoos op tafel staan. “Kijk maar eens wat er in zit” zei ze. Toen ik de deksel oplichtte, herkende ik het meteen. Daar lag het popje van zuster Stieltjes in het Werkmansverband, helemaal gaaf, samen met de zilveren medaille in een rond houten doosje, de oorkonde en enkele foto’s, alles authentiek uit 1898.

Het popje in Werkmansverband

De zilveren medaille met inscriptie in houten doosje met schroefdeksel

Minutenlang keek ik met kippenvel naar deze vondst. De dame vertelde me, dat ze de stiefdochter van Antje Stieltjes was, door haar geadopteerd in 1905. Gelukkig kon ik haar heel veel vertellen over mijn archiefonderzoek naar Antje Stieltjes en wat ik allemaal over haar had gevonden. Bij mijn vertrek vertelde de dame dat ze zo blij was dat zuster Stieltjes door mijn onderzoek niet vergeten was. Ze wist nu eindelijk wat er in die schoenendoos op zolder zat. We namen ontroerd afscheid van elkaar en de schoenendoos werd weer veilig opgeborgen. Korte tijd later kreeg ik via Eveline Pfundt bericht van het overlijden van Johanna Hulshof. En wat bleek, ze had het popje, de medaille, de oorkonde en de foto’s in haar testament vermaakt aan het Florence Nightingale Instituut. Eveline en Rob kwamen deze unieke objecten zelf brengen, waarbij ze mij ook nog meer konden vertellen over Johanna Hulshof. Behalve het popje en de medaille bevatte de schenking ook een heel vroeg ovaal portret van Antje Stieltjes, zie foto links.

Eveline Pfundt, 2012. 
Foto: Evert Doorn Fotografie

Verpleegkundige Eveline Pfundt (1931-2023)

Dankzij de oplettendheid van Eveline Pfundt is de verpleegkundige beroepsgroep in bezit gekomen van enkele unieke objecten uit de vroegste geschiedenis van de wijkverpleging. Wat mogen we Eveline Pfundt dankbaar zijn voor dit mooie geschenk. Rust zacht, lieve Eveline!

 

 

Verder lezen

‘Gezond en wel. Vrouwen en de zorg voor gezondheid in de twintigste eeuw’ door Rineke van Daalen en Marijke Gijswijt-Hofstra (red.) (AUP, 1998)

‘De verpleegster zij in eerste plaats vrouw van karakter. Ziekenverpleging als vrouwenzaak, 1898-1998’ door Nannie Wiegman in ‘Gezond en wel’ (1998)

‘Feministische Openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898’ door Maria Grever en Berteke Waaldijk (IISG/IIAV, 1998)

 

Nosokómos. Een geluk bij een ongeluk

Soms heb je pech, maar kan een negatieve ervaring toch heel positief uitpakken. Daar heb ik ervaring mee en dat heeft alles te maken met het LCVV, een beroving en een uniek boek.

Actrices in 2016, dus niet uit 2000

Het zal ergens begin 2000 geweest zijn dat men mij vroeg een lezing te houden bij het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging (LCVV) in Utrecht. Er was iets te vieren, ik weet alleen niet meer wat. Hoe dan ook zou het een bijzondere bijeenkomst worden. Niet alleen vanwege het thema van mijn lezing, – de geschiedenis van verpleegkundige beroepsorganisaties, – maar vooral door de aanwezigheid van de hoofdgast van die middag, minister Els Borst (1932-2014). Het Nationaal Museum Verpleging en Verzorging (sinds 2007 Florence Nightingale Instituut) verzorgde ook de entourage van het event. De twee vaste actrices, omgetoverd tot verpleegsters in historisch uniform, speelden een hoofdrol en trokken meteen de aandacht. Ze hadden in de hal van het LCVV een toneelstukje met een historische quiz voor de bezoekers voorbereid. Minister Borst stapte er meteen op af en ging met de actrices in gesprek. Zeker door haar ontspannen aanwezigheid werd het een buitengewoon geslaagde bijeenkomst.

Een peperduur tijdschrift

Om een uur of 16.00 hield ik mijn lezing voor het gezelschap. Over de geschiedenis van de beroepsorganisaties dus. Dat was op dat moment een nogal actueel thema, want zo’n 40 specialistische organisaties van verpleegkundigen waren druk bezig om te verkennen hoe er een sterke beroepsorganisatie zou kunnen komen. Als je het hebt over de geschiedenis van verpleegkundigen en verzorgenden kun je niet om een van de vroegste organisaties heen: de ‘Nederlandsche Vereeniging tot bevordering der belangen van Verpleegsters en Verplegers’, kortweg  Nosokómos genoemd.

Arnold Aletrino, hoofdredacteur van Nosokómos

Initiatiefnemen er kartrekker van de nieuwe vakorganisatie was schrijver en arts Arnold Aletrino (1858-1916). Hij was tevens hoofdredacteur van het Tijdschrift Nosokómos. En dus begon ik mijn verhaal met Nosokómos, opgericht in 1900,  die lastige organisatie die jarenlang een luis in de pels was van de gevestigde orde, vooral de artsen. Met hun eis voor een betere verpleegsteropleiding en registratie van gediplomeerden door de overheid, wilden de leden van Nosokómos een einde maken aan de willekeur van ziekenhuizen. Die hoefden zich immers niet druk te maken over het lage salaris en de slechte arbeidsomstandigheden van verpleegsters in ziekenhuizen. Wil je als historicus  dit soort beweringen onderbouwen, dan doe je dat met een bron. En in dit geval was mijn bron het tijdschrift van Nosokómos, dat meteen bij de oprichting in 1900 van de band rolde. Elke maand een aflevering van ca. 25 pagina’s vol met scherpe artikelen, ingezonden brieven van teleurgestelde verpleegsters, de buitenlandrubriek, examens en boekrecensies. Ik was in het gelukkige bezit van de eerste 10 complete jaargangen van dit prachtige, unieke en inmiddels peperdure tijdschrift. Ter illustratie van mijn lezing had ik de eerste jaargang meegenomen en rond laten gaan bij het publiek. Wat is er immers leuker dat de geschiedenis ook in je hand te kunnen houden! Na een vrolijke borrel vertrok ik om een uur of 6 naar huis.

 

Jaargang 1900 van Nosokómos

Een beroving op klaarlichte dag

Bij het inpakken van mijn auto stond mijn tas even in een onbewaakt ogenblik naast mij. En dat was voor twee jonge jongens hét moment waar ze op stonden te wachten. Met de brommer scheurden ze langs mijn auto en gristen mijn tas weg. Het ging zo snel dat ik ze perplex stond na te kijken, om daarna de spurt in te zetten om ze in te halen. Dat lukt uiteraard niet. Dat mijn tas weg was, was tot daar aan toe maar toen ik besefte dat Jaargang 1900 van Nosokómos gestolen was, kon ik wel janken. Ook de politie kon mij bij aangifte niet geruststellen dat het ooit teruggevonden zou worden, behalve dan dat ze zeiden dat het boek waarschijnlijk al in het Utrechts kanaal lag. Wat als een mooie dag had moeten eindigen, was voor mij een regelrechte ramp geworden. Ik was er kapot van en de negen overgebleven jaargangen stonden eenzaam en ontmanteld in mijn boekenkast. Gelukkig heb ik een optimistische echtgenoot  die mij bezwoer dat we eenzelfde Jaargang 1900 echt ooit weer zouden kunnen vinden. Dat was het begin van een jarenlange zoektocht. En zo’n 15 jaar later vond ik hem: Jaargang 1900 van Nosokómos, en ook nog eens op dezelfde manier in groen leer met goudopdruk gebonden. Hij paste perfect bij de andere negen delen. Ik zal maar niet zeggen wat ik ervoor betaald heb!

Uit Meijbooms boekenkast

De boekenkast van Frederike Meijboom, ca. 1960

Lange tijd had ik de jaargangen van Nosokómos niet nodig voor onderzoek Als directeur van het Florence Nightingale Instituut van 1996-2019 had ik wel wat anders te doen. Mooie tentoonstellingen maken, maar ook buffelen, vechten voor subsidies, zorgen voor inkomsten en lobbyen. Vanaf 2021 begon ik aan het schrijven van een biografie over Frederike Meijboom (1871-1971). Precies in de coronaperiode was dat niet eenvoudig, immers, alle archieven waren lange tijd gesloten en konden niet geraadpleegd worden. En juist het archief van Frederike Meijboom, zo’n 6.5 meter met gegevens over haar leven, had ik nodig. Inmiddels heb ik dat archief helemaal kunnen bekijken en ben ik ook vertrouwd geraakt met haar persoonlijke handschrift. En toen kwam het moment dat ik Jaargang 1900 van Nosokómos nodig had en uit de kast pakte. Wat meteen opviel, was het vele gekriebel met potlood aan de zijkant. Het duurde even voordat ik het herkende, maar toen wist ik het zeker: dit was Frederike Meijbooms handschrift! Ik legde de gekriebelde stukjes tekst naast brieven die Frederike aan haar vader had geschreven.

Er was geen twijfel over mogelijk, dit was haar handschrift, dit was haar Jaargang 1900, dit boek had in haar boekenkast gestaan.

Frederike, strijdbaar en kritisch

Wat valt er zoal op aan de opmerkingen van Frederike? Op de 464 pagina’s staan tal van op- en aanmerkingen, uitroeptekens, correcties van namen, toevoegingen, vaak verontwaardigd, soms boos. Wie iets van de persoon van Meijboom weet, herkent dit onmiddellijk. Ze was immers nauw betrokken bij het strijdbare Nosokómos en de thema’s in jaargang 1900 gingen haar stuk voor stuk aan het hart. Dikke strepen bij onderwerpen in het register als ‘Beroepsopleiding verpleegster’, ‘Diploma’s’, ‘Opleiding verpleegsters’ en ‘Waarde diploma’. Maar ook midden in een artikel uitroeptekens bij zinnen waar ze het niet mee eens is en die ze verbetert. Ook heeft ze bij een artikel over ‘Vacantie’, waar alleen ‘auteur’ onder staat haar eigen naam gezet. Zij had het immers geschreven!

Het was echter op pagina 261 dat ik 100% zeker wist dat dit Meijbooms exemplaar was. 1900 was namelijk ook het jaar dat Frederike met slaande ruzie ontslag nam in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Ze had een hooglopend conflict met directrice Cort van der Linden, die ze niet uit kon staan. Na Meijbooms vertrek stuurde enkele leerling-verpleegsters een ingezonden brief naar het Maandblad voor Ziekenverpleging, wat leidde tot een felle discussie tussen voor- en tegenstanders van Frederike’s actie. Het Maandblad weigerde hier op in te gaan, maar Nosokómos publiceerde de ingezonden brieven. De tegenstanders waren wel zo dapper om hun namen onder de brieven te zetten en bij die zeven namen zet Meijboom een groot kruis en het woord ‘de vijanden’, zie de meest linkse afbeelding. Frederike Meijboom bemoeide zich graag met alles en had overal een mening over. En je kon maar beter niet tot haar ‘vijanden’ behoren. Ook spaarde ze anderen niet als het om kritiek ging. Zelfs in dit boek valt het karakter van de persoon Frederike Meijboom te herkennen.

En nu staat de eerste jaargang van Nosokómos uit 1900 gelukkig weer in mijn boekenkast, maar nu met een extra dimensie. Een onaangename diefstal kreeg zo toch nog een glorieuze afloop!

 

Bep Engelberts, de 10de dapper dame

Anna Elizabeth Wilhelmina Christine (Bep) Engelberts is in 1898 geboren, dit jaar 125 jaar geleden. Ze groeide op in een hervormd predikantengezin in Bergschenhoek. Op 7-jarige leeftijd verhuisde de familie naar Amsterdam. Hier volgde Bep Engelberts in 1918 de opleiding tot ziekenverpleegster in het Wilhelmina Gasthuis. Ze behaalde in 1921 het diploma van het Witte Kruis.

Het Tjikini Ziekenhuis in Batavia

Met het diploma op zak vertrok Bep in 1924 op verzoek van het Nederlandsch Zendeling Genootschap naar Nederlands-Indië. Het was haar opdracht om Javaanse meisjes én jongens op te leiden tot verpleegster en verpleger, zodat ze in de zendingsziekenhuizen ingezet konden worden. Ze leerde al snel Javaans en Maleis en behaalde ook het diploma van vroedvrouw. In 1938 volgde haar overplaatsing naar het Koningin Emma Ziekenhuis ‘Tjikini’ te Batavia met de taak de verpleging te organiseren. Na de inval van het Japanse leger in 1942 werd Bep Engelberts geïnterneerd in het vrouwenkamp Kramat. Onder vreselijke omstandigheden nam ze hier samen met dr. H. S. Hogerzeil de verpleging van de zieken op zich.

Toen de oorlog voorbij was, bleef ze nog tot 1951 werkzaam als directrice van het ‘Tjikini’ ziekenhuis. Na de verwoesting van dit ziekenhuis door oorlogshandelingen bouwde Bep Engelberts de organisatie van de verpleging weer op.  In 1947 kreeg ze voor haar verdienste de Ridderorde van Oranje-Nassau. Maar daar bleef het niet bij.

De 10de draagster van de Florence Nightingale Medaille

Uitreiking medaille door koningin Juliana. Linksachter 2 winnaressen uit 1947

Na haar terugkeer in Nederland was Bep Engelberts van 1951-1957 directrice van het Havenziekenhuis te Rotterdam. Ook hier reorganiseerde ze de verpleegstersopleiding, die onder haar leiding een groot succes werd. Vooral haar tropencursussen waren beroemd. Na haar vertrek als directrice ging ze reizen. Het was op een van die reizen dat ze een telegram kreeg met het bericht dat ze de prestigieuze Florence Nightingale Medaille kreeg. Deze medaille was in 1912 ingesteld door het Internationale Rode Kruis voor verpleegsters die zich hadden onderscheiden door buitengewone moed en toewijding. De medaille was in  Nederland al 9 keer uitgereikt, Bep was dus de 10de dappere dame.

De medaille met inscriptie

Ze kreeg de medaille voor haar moedige optreden in het Jappenkamp Kramat. Zelf vond ze het allemaal wat overdreven. “Waarom ik?”, aldus Bep. Ik deed gewoon mijn werk. Op 17 augustus 1959 speldde H.M. Koningin Juliana haar in de Rolzaal te Den Haag de prestigieuze medaille op.

Het is nog steeds een raadsel waarom het zolang geduurd heeft voordat de medaille aan Bep Engelberts is uitgereikt. Naar aanleiding van de Tweede Wereldoorlog waren er voor haar immers al zeven medailles toegekend: vijf in 1947 en twee in 1949. Toch zou het daarna nog tien jaar duren voordat deze uitreiking plaatsvond. Het kan zijn dat niet eerder bekend was wat zij in het vrouwenkamp allemaal had gedaan en dat iemand pas in 1959 haar bij het Nederlandse Rode Kruis had aangemeld als kandidaat. Maar dit is een veronderstelling.

De dag van het afscheid (1965)

Op 5 januari 1965 was het Havenziekenhuis in Rotterdam in rep en roer. Enkele dagen ervoor, precies op Nieuwsjaardag, was oud-directrice Bep Engelberts overleden. Toen ze ziek werd, wilde ze perse in haar geliefde Havenziekenhuis verpleegd worden. En nu was de dag van het afscheid aangebroken. Zuster Engelberts had aangegeven dat ze vanuit het ziekenhuis uitgedragen wilde worden, een flinke opgave voor een functionerend ziekenhuis. Om dit alles in goede banen te leiden, was er dan ook een streng protocol opgesteld. Iedereen die meeging met de stoet kon vanaf 10.00 ’s ochtends in de conversatiezaal een boterham eten. Ondertussen was het de taak van Zuster van Campenhout om ervoor te zorgen dat er op de begane grond vanaf 11.00 uur geen bedden met patiënten stonden. En het was absoluut verboden om op het klopbalkon dekens te kloppen. Theo moest ervoor zorgen dat de grote lift op de vijfde verdieping om 11.05 vrij was. Vanaf 11.15 stelden de verpleegsters en de leerlingen zich beneden in de hal op in een rij. Het kledingvoorschrift was streng. De leerlingen moesten de jurk hooggesloten houden en de gediplomeerden droegen een hartjesschort met blauw vest. De kist met het lichaam van zuster Engelberts werd om half 12 via de voordeur het ziekenhuis uitgedragen. Haar laatste reis naar crematorium Westerveld kon beginnen. De laatste zin van het protocol luidde: “s.v.p. opletten, dat er geen patiënten uit de ramen hangen”.

De Zuster Engelberts Stichting

Insigne voor leerlingen van de Zuster Engelberts Stichting

Na haar overlijden is door de besturen van het Havenziekenhuis en de Dr. Daniël den Hoed Kliniek in 1968 als eerbetoon de Zuster Engelberts Stichting in Rotterdam opgericht. Dit opleidingsinstituut voor verpleegkundigen opende op 23 oktober 1969 zijn deuren. In 2002 mocht ik als directeur van het Nationaal Museum Verpleging en Verzorging de originele Florence Nightingale Medaille van zuster Engelberts in ontvangst nemen. De medaille had al die tijd in een kastje in de hal van het schoolgebouw gehangen, als eerbetoon aan een groot verpleegkundige.

Verder lezen

S. Hogerzeil, ‘In memoriam zr. A.E.W.C. Engelberts’ (1965)

Lepoutre, W.H.P. Feenstra, Erkenning van een pionierster (1959)

v.V. ‘Florence Nightingale Medaille voor zr. A. E. W. Chr. Engelberts’, Tijdschrift voor Ziekenverpleging (1959) p. 402.

Protocol begrafenis. Dinsdag 5 januari 1965. Archief FNI.

Kraamverzorgende onder druk

Het beroep van kraamverzorgende staat onder druk en niet zo’n beetje ook. In Nederland werken bijna 8000 kraamverzorgenden in loondienst en zo’n 1000 als zzp’er. Het rommelt al tijden in deze beroepsgroep, die zwaar onder druk staat.

Kraamverzorging thuis, jaren ’30

De afgelopen jaren verlieten 3000 van de 12000 professionals het beroep, waardoor er inmiddels een groot tekort is. Het FNV deed onlangs een peiling waaraan 1261 kraamverzorgenden deel namen. De conclusie was dat kraamverzorgenden de laagst betaalde groep in de sector Zorg en Welzijn is. Maar niet alleen het salaris, ook de onregelmatige werktijden zijn er de oorzaak van dat kraamverzorgenden het vak verlaten. Ook verloskundigen zijn de dupe van de tekorten op dit moment. Als we in Nederland geen adequate kraamzorg meer kunnen leveren, zijn we wel heel diep gezonken. Een prachtige beroepsgroep dreigt te verdwijnen en daarom als eerbetoon hier hun mooie geschiedenis in een notendop.

Baker Willemse uit Zwolle, ca. 1900

Bazige bakers

In de negentiende eeuw kregen vrouwen hun baby gewoon thuis, begeleid door een vroed­vrouw of huisarts. Na de beval­ling kwam de zorg voor moeder en kind in han­den van een baker. Dat waren ervaren, bazige vrouwen. Over bakers doen nogal negatieve verhalen de ronde. Ze zouden constant lui, dronken en onoplettend geweest zijn. Dergelijke bakers waren er natuurlijk en ze werkten meestal in de arme gezinnen. Maar er waren ook goede bakers, zoals Trui Klein uit Utrecht, die menige moeder op voortreffelijke wijze door het kraambed heen hielp. Dokter Ausems, die veel met Trui werkte, was heel enthousiast over haar: “Trui was nooit vermoeid, altijd gelijkmatig van humeur, ijverig, stipt en betrouwbaar bij haar werk, pleegde geen ongerechtigheden, luisterde naar bemerkingen omtrent de verpleging en bracht ze in toepassing.”

Rust, Reinheid, Regelmaat

Aan het eind van de 19de eeuw waaide er een nieuwe wind door Nederland. Fabrieken en bedrijven kwamen op en mensen trokken naar de stad op zoek naar werk. Ook de geneeskunde maakte een enorme ontwikkeling door. Een belangrijke doorbraak was de ontdekking van de bacterie. Eindelijk konden medici de gevaarlijke kraamvrouwenkoorts te lijf gaan. Als de dokter zijn handen waste, was dat levensreddend. Met nieuwe kennis over hygiëne gingen medici de strijd aan tegen kraamvrouwenkoorts en kindersterfte. Vanaf dat moment klaagden ze steen en been over de bakers, die vaak niet konden lezen of schrijven en geen idee hadden van hygiëne.

Van baker naar kraamverzorgster                                                                                                             

Stoffen insigne voor de baker

In 1900 startten het Witte en Groene Kruis met een opleiding voor bakers. Vooral Aafke Gesina van Hulst (1868-1930) stond bekend om haar voorlichting aan aanstaande moe­ders. Een­maal opge­leid kregen de bakers een uniform, een diploma en een stoffen insigne voor op hun mantel. Dat gaf status. Toch is duidelijk dat het imperium van de baker vanaf 1920 begint te wankelen. Vanaf dat moment spraken artsen over een nieuw type baker, de ‘kraamverzorgster’. Zij moest de ouderwetse baker vervangen en de nieuwe hygiënische beginselen ‘Rust, Reinheid en Regelmaat’ introduceren in de gezinnen.

Insigne voor leerling-kraamverzorgster

Kraamverzorging, een nieuw beroep

Een speciale commissie ontwierp in 1926 de nieuwe opleiding voor kraamverzorgsters. Gedurende 18 maanden, waarvan zes in een kliniek, volgde de leerling theorie- en prak­tijklessen. De taken die de kraamver­zorgende-van-nu in haar pakket heeft, zijn al in die eerste opleiding geformuleerd. De kraamverzorgster in bruin uniform met witte hartjesschort had een signalerende functie, gaf voorlichting en assisteerde bij de bevalling. Ze zorgde voor de kraamvrouw en de baby en rapporteren alles wat afweek van een normaal kraambed. Kraamverzorgsters waren verantwoording schuldig aan de vroedvrouw, de arts of de kraamverpleegster. Had ze haar opleiding af, dan moest ze zich aanmelden bij een zogenaamd plaat­singsbureau, waar ze ingeschreven werd als werk­zoe­kende en ook kon rekenen op regelmatig werk. Pas na in­schrij­ving ontving ze haar insigne. Deze constructie was vooral bedoeld om te voor­komen dat gediplomeerde kraamver­zorgsters gingen particulieren. Dit werkte het zogenaamde ‘wild bake­ren’ in de hand, waarbij de overheid de controle op de kraam­zorg weer zou verliezen.

Op internaat                                                                                                                               

Inschrijvingsbewijs

Vanaf 1950 vond de opleiding van kraamverzorgsters plaats in internaten, waar ze drie maanden aaneengesloten theoretisch onderwijs kregen. Daarna gingen ze twaalf maanden de prak­tijk in onder leiding van een docente. De meeste kraamverzorgsters vonden de internaatsperiode een leuke tijd, waar ze als meiden onder elkaar ont­zettend veel lol hadden. In de opleiding was veel aandacht voor patholo­gie, zodat de kraamver­zorgster in staat was afwijkin­gen in het kraambed te herkennen. Ook huishoudkunde was een belangrijk vak. Na drie maanden theorie volgde stage in het gezin. De leidster van het kraam­centrum kwam dan regelmatig controleren of alles goed ging. Van elk gezin moest de leerling een ver­slag maken en 22 bevallingen hebben meegemaakt. Deze internaat opleiding werd in 1971 nog een keer bijgesteld.

In een afhankelijke positie

Hoewel de werkomstandigheden in de kraamzorg en de opleiding sinds 1971 sterk verbeterd waren, tobde het beroep toch met een negatief imago. Belangrijkste oorzaak hiervan was dat een kraamverzorgster altijd ondergeschikt was aan de verloskundige, de arts of de leidster van het kraamcentrum. Ze stond zo altijd in een afhankelijke positie van haar werkge­ver. In 1983 kwam aan deze oude opleidingsstructuur een einde, waarmee de kraam­verzorg­ende, zoals ze inmiddels heette, minder afhanke­lijk van haar werkgever was. Toch leidde deze vernieuwing niet tot een zelfbewuste beroepsgroep. Het beroep bleef last houden van een lage waardering en een laag salaris. Dat is tot vandaag niet veel veranderd.

Laten we het daar eens over hebben

Momenteel is er een groot tekort aan kraamverzorgenden. Jonge gezinnen zijn hier de dupe van. Het is daarom goed dat er vanuit de FNV aandacht is voor de problemen en ook de Tweede Kamer heeft onlangs een spoeddebat over de kraamzorg gehad. De kernvraag is: wat hebben we als samenleving eigenlijk ervoor over om deze unieke beroepsgroep in stand te houden? Laten we het daar eens over hebben!

 

 

 

 

 

Is Anna Reynvaan de Nederlandse Nightingale?

Jubileum! Vandaag wordt de 25ste Anna Reynvaanlezing gehouden, een jaarlijks feest voor verpleegkundigen. Maar waarom heet deze lezing eigenlijk de Anna Reynvaanlezing? En is het wel terecht om Anna Reynvaan de Nederlandse Nightingale te noemen? Het waren exact deze vragen die de organisatoren van de Anna Reynvaanlezing uit het toenmalige AMC mij meegaven. En of ik, voorafgaand aan de lezing door prof. Joyce Clifford een lezing wilde houden over deze vragen. En zo gebeurde. In aanwezigheid van Prinses Margriet hield ik op 9 juni 1999 in de Lutherse Kerk, waar de eerste Anna Reynvaanlezing toen werd gehouden, de lezing met de titel: ‘Anna Reynvaan, een Nederlandse Nightingale (1844-1920)’.

Om uit te zoeken of Reynvaan terecht de Nederlandse Nightingale mag heten, bekeek ik de bronnen en de literatuur over haar. En eerlijk gezegd was dat geen eenvoudige zoektocht. Wat we weten over deze pionier, bleek vaak overgeschreven en in de loop der tijd aangedikt met anekdotes. Want wat had Anna Reynvaan nu precies bijgedragen aan de modernisering van de verpleging? En vooral, had ze dat alleen gedaan of waren er meer Nederlandse Nightingales? Tenslotte de vraag, kunnen we Reynvaan vergelijken met Nightingale? Staat ze op dezelfde grote hoogte als de Lady with the Lamp? Want ja, hoe gerechtvaardigd is het om deze belangrijke lezing, die nu voor de 25ste keer wordt gehouden, naar Anna Reynvaan te vernoemen?

Een antwoord op deze vragen en meer over de pionier Anna Reynvaan heb ik in 1999 gegeven in deze lezing.

 

GA TERUG NAAR ACTUEEL

Corrie Baas, de 13de dappere dame

Cornelia (Corrie) Baas is geboren in in Zuilen in 1944, dus tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze wist op 18-jarige leeftijd dat ze dokter wilde worden. Haar moeder zag dat niet zitten en er volgde een paar fikse ruzies. Corrie besloot haar eigen weg te gaan en volgde een aantal vakopleidingen op het gebied van radiologie.

Van 1970-1974 volgde ze de verpleegkundige opleiding aan de Engelberts Stichting te Rotterdam. Zou ze in die opleidingstijd in de hal van dat gebouw het kastje hebben zien hangen met daarin de Florence Nightingale Medaille van zuster Engelberts? In 1974 behaalde ze het diploma van verpleegkundige-A. Haar diploma had nummer 123790. Hierna volgde Corrie nog enkele specialisaties op het gebied van IC-, brandwonden- en oncologieverpleging, met als afronding een management opleiding. Daarna begon haar internationale carrière. Twintig jaar lang reisde ze als verpleegkundige van de ene brandhaard naar de andere. Een indrukwekkende carrière.

 De 13de draagster van de Florence Nightingale Medaille

Voorkant Florence Nightingale Medaille

Het is 4 februari 1994, een sombere, koude dag. Maar wel een dag met een gouden randje. Dat kwam door de uitreiking van de Florence Nightingale Medaille aan verpleegkundige Cornelia (Corrie) Baas (1944-2002). Deze medaille, een initiatief van het Internationale Rode Kruis, wordt sinds 1912 toegekend aan een verpleegkundige, verzorgende of helpende. Belangrijk is dat deze persoon gerelateerd is aan het Rode Kruis en zich in een oorlogssituatie of tijdens rampen heeft onderscheiden door dapper gedrag. Corrie Baas, de 13de Nederlandse winnares van de Florence Nightingale Medaille, voldeed in alle opzichten aan de doelstellingen van de medaille. Op 12 mei 1993, Internationale Dag van de Verpleging, maakte het Internationale Rode Kruis bekend dat ze de medaille zou ontvangen. Omdat ze in het buitenland verbleef, vond de echte uitreiking bijna 9 maanden laten plaats. Zie voor alle 15 draagsters: https://bureauwiegman.nl/15-draagsters-florence-nightingale-medaille/

Van Saoedi-Arabië naar Irak

Het is bijna onmogelijk om te laten zien op welke terreinen Corrie Baas zich allemaal ingezet heeft voor de medemens. Daarom een samenvatting:

1983-1984: Assistent headnurse in Saoedi-Arabië. Hier zette ze een brandwondenafdeling op en trainde ze stafleden in de brandwondenverpleging.

1984-1985: Nursing Supervisor in Egypte. In Cairo zette ze een intensive-care afdeling op en trainde ze lokale stafleden. In Egypte wordt de verpleging als een minderwaardig beroep gezien en daarom werkte ze mee op de afdeling om het belang van de verpleging te benadrukken.

1986-1987: Headnurse intensive care in Saoedi-Arabië. Ook hier verzorgde ze training en scholing aan de lokale stafleden door mee te werken op de afdeling.

1988-1989: Uitgezonden als ‘Nurse in Charge’ naar Israël tijdens de Intifada. Ze gaf hier leiding aan collega’s op de intensive-care en wisselde kennis en ervaring uit met de artsen en verpleegkundigen.

1990-1991: Emergency Nurse in Irak tijdens de Golfoorlog, waar ze tevens gegijzeld wordt en als laatste vrijgelaten. Over deze periode schrijft Corrie in haar cv: “Weinig kunnen doen in verband met mijn gijzeling en het uitbreken van de Golfoorlog”.

Medische missie in Afghanistan (1991-1992)

Uitreiking medaille door H.K.H. Prinses Margriet

Begin jaren ’90 wordt Corrie Baas uitgezonden naar Kabul in Afghanistan. Hier krijgt ze van maart tot oktober 1991 de leiding heeft over een veldhospitaal voor oorlogsslachtoffers van het dan heersende conflict. Als verpleegkundige is ze verantwoordelijk voor de triage op de Eerste Hulpafdeling van het Rode Kruisziekenhuis te Kabul. De omstandigheden zijn zo dreigend dat het Rode Kruis zijn medewerkers aan het einde van 1991 tijdelijk terugtrekt. Toch gaat Corrie begin 1992 weer terug. Het is voor deze medische missie in Afghanistan dat zuster Baas op 4 februari 1994 uit handen van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Margriet de beroemde Florence Nightingale Medaille opgespeld krijgt, de Nobelprijs voor verpleegkundigen, zoals onze Belgische collega’s de medaille noemen.

Achterkant medaille met inscriptie

Altijd klaar voor vertrek

Tussen 1992 en 2001 werd Corrie Baas nog tien keer uitgezonden naar oorlogen en vluchtelingenkampen, variërend van Irak, Soedan, Noord-Korea tot Tadzjikistan. Ze was nog lang niet klaar met haar missie, zo vindt ze zelf. Haar beste vriendin Maria van der Reep vertelde mij: “Haar koffertje stond altijd klaar”. In maart 2002 overleed Corrie Baas aan een verwaarloosde longontsteking. Ze werd pas een aantal dagen na haar overlijden door de politie gevonden. Corrie Baas werd maar 57 jaar.

Leestip

Maria van der Reep, haar vriendin, herinnert zich Corrie als een fantastische vrouw, gedreven om mensen in uiterste nood te helpen vanuit haar kennis, maar vooral ook vanuit haar hart. Ter nagedachtenis aan haar vriendin verwerkte Maria de reisverhalen en ervaringen van Corrie Baas in de roman “De blauwe spiegel” (Heemskerk, 2006).

De nalatenschap van Corrie Baas leeft ook voort in de Stichting Kicoba, -Kinderen Corrie Baas-, die ze 3 weken voor haar dood oprichtte, opdat haar werk zou voortleven. Die tekst staat ook op haar grasteen, zie de foto hierna.  Meer weten over deze stichting kan hier: www.kicoba.nl

De erfenis van Aafke Gesina van Hulst

Geïmproviseerd consultatiebureau in de achtertuin van de woning van Aafke Gesina van Hulst in Harlingen, ca. 1895. Aafke staat rechts achterin met glimmende hoge hoed

Jeugd in een domineesgezin

Op 28 januari 1868 komt in het Friese Harlingen een meisje ter wereld. Feest dus in het gezin van dominee Van Hulst. De baby krijgt de naam Aafke Gesina, al snel afgekort tot Sien. In de statige Harlingse woning aan de gracht groeit Sien op met drie broers en een jonger zusje. Op 14-jarige leeftijd slaat het noodlot toe, wanneer vader Van Hulst overlijdt. Als oudste dochter van het drukke gezin wordt nu van haar verwacht dat ze haar moeder helpt met het gezin en het huishouden. Want moeder Van Hulst heeft het druk, ook na het overlijden van haar man, de alom geliefde dominee. Niet alleen heeft ze het druk met het gezin, maar ook vanwege de vele maatschappelijke taken die een Doopsgezinde domineesvrouw nu eenmaal behoorde te doen. In die functie verwacht men van haar dat ze actief is in de Harlingse gemeenschap door om te zien naar haar naasten. En dat doet ze door regelmatig de achterbuurten van Harlingen te bezoeken. Op die tochten neemt ze haar oudste dochter mee. Zo komt Aafke direct in aanraking met gezinnen die in diepe armoede leven en daardoor vatbaar zijn voor allerlei ziekten. Is hier bij de jonge Aafke het plan gerijpt om iets aan deze ellende te doen?

Een nieuwe type wijkverpleegster

Portret van Aafke met kruisje

Hoewel Aafke zelf graag de Witte Kruis opleiding tot verpleegster had willen volgen,  is dat er nooit van gekomen. Door haar drukke werkzaamheden in het gezin en de zorg voor haar zieke broertje was ze zelf nooit in de gelegenheid om deze opleiding te volgen. Dat vereiste immers dat ze lange tijd van huis zou moeten en dat kon niet. Wie deze foto bekijkt, ziet dat ze op haar damesjapon (dus niet op een wit uniform) toch het insigne van het Witte Kruis draagt. Op de originele tekening/gravure is te zien dat het witte ivorenkruisje groen is gemaakt. Groen, dus de kleur van het Groene Kruis, de vereniging die haar zo lief was. Is dit kruisje opzettelijk groen geverfd en heeft ze dit als een soort eerbetoon een keer heeft ontvangen? Hoe dan ook, met of zonder diploma slaagde Aafke Gesina van Hulst  erin om zich op te werken tot de drijvende kracht achter een nieuw type verpleging. Niet de verpleging van zieken in het ziekenhuis, de instelling, die rond de eeuwwisseling zo populair was. Nee, het verplegen van zieken thuis. En dan niet liefdevolle hulp door bezorgde familieleden of ongetrouwde tantes, die niet opgeleid waren voor die taak, maar door opgeleide verpleegsters, wijkverpleegsters dus. Zij waren de hulptroepen die vanaf 1900 de gezinnen thuis op het hygiënische spoor moesten houden. Het nieuwe beroep van wijkverpleegster, anno 2023 al weer zo onmisbaar om de samenleving draaiende te houden.

‘Oude vrijster’

Toen Aafke 26 jaar oud was, viel ze onder de categorie ‘oude vrijsters’. De kans op een passende echtgenoot en een beschaafd huwelijk was definitief voorbij. En dus stortte ze zich op 26-jarige leeftijd op de organisatie van wijkverpleging. Zo richtte ze in Harlingen in 1894 de ‘Vereeniging voor Wijkverpleging en Ziekenzorg’ op. Maar het echte werk begon in 1902 met de oprichting van plaatselijke afdelingen van de ‘Algemeene Nederlandsche Vereeniging ‘Het Groene Kruis’. Deze neutrale vereniging, opgericht in 1900 door ds. F. C. Fleischer en dr. W. Poolman, zou onder haar leiding in Friesland een enorme vlucht nemen.

De erfenis van Aafke

Wat heeft de wijkverpleging eigenlijk aan Aafke Gesina van Hulst te danken? Begrippen als ‘Rust, Reinheid, Regelmaat’ kwamen uit haar koker, maar ook het eerste consultatiebureau in haar eigen achtertuin (zie grote foto). Ze startte moeder- en bakercursussen om moeders op weg te helpen. Ze schreef veel artikelen en diverse boekjes over de nieuwste ideeën over gezondheid en hygiëne. Ze bedacht nieuwe verpleegartikelen en ook dat je die kon lenen bij het magazijn van de plaatselijke kruisvereniging. En ze gaf les aan verpleegsters, die de specialisatie wijkverpleging volgden. Haar grootste succes was misschien wel de oprichting van de Nederlandsche Bond van Wijkverpleegsters in 1927, waarvan meteen al 100 van de 1000 wijkverpleegsters lid werden.

Om ongeletterde moeders in Friesland met haar boodschap van hygiëne te bereiken, trok ze met 7 zelfgemaakte aquarellen met tips over gezondheid de provincie door. De aquarellen heeft ze zelf getekend en laten heel plastisch zien hoe belangrijk bijvoorbeeld borstvoeding is voor baby’s. Haar ideeën over gezondheid en hygiëne zijn sterk beïnvloed door de Duitse ontwikkelingen over hygiëne die veelal via posters werden verspreid.

Aquarel over baby sterfte

Op deze aquarel, nummer 6 uit de reeks, wijst ze op de wisseling van seizoenen en de invloed die dat heeft op de sterfte van baby’s. Dat meisje, dat op 28 januari 1868 ter wereld kwam, heeft ons een indrukwekkende erfenis nagelaten.

Leestip

Wil je meer details en literatuur over het leven van Aafke Gesina van Hulst? Voor het Digitaal Vrouwenlexicon Nederland heb ik eerder deze bijdrage over haar geschreven, hier te lezen:  https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Hulst

Claartje van Aals, een levenslustige leerling

Verpleegkundigen van het Apeldoornsche Bosch (Bron Een Vandaag)

Het is 22 januari 1943, in 2023 is dat precies 80 jaar geleden. Een koude vrijdagochtend. Hoe werden ze wakker, de meer dan 1200 psychiatrische patiënten, de bijna 50 verpleegkundigen en leerling Claartje van Aals? Hebben ze eigenlijk wel geslapen of was de chaos in hun hoofd, de ontzetting, de angst voor wat stond te gebeuren, te groot? In 2023 herdenken we een wrang jubileum. 

Hoofdgebouw van het Apeldoornsche Bosch

In de nacht van 21 op 22 januari 1943 werd de Joods psychiatrische inrichting ‘Het Apeldoornsche Bos’ te Apeldoorn door de Duitse bezetter is ontruimd. Het Apeldoornsche Bosch, gelegen aan de Zutphensestraat, was opgericht in 1909 opgericht als Centraal Israëlitische Krankzinnigengesticht met als doel Joodse geesteszieken te verplegen. In 1934 werd naast de inrichting een opvanghuis geopend voor Joodse kinderen met een verstandelijke handicap, het zogenaamde Paedagogium Achisomog. Beide instellingen hadden moderne, progressieve ideeën en stonden goed bekend. In 1943 was de verpleging uitsluitend in handen van Joods personeel.

Een ‘gruwelijk schouwspel’

De ontruiming van beide instellingen was door de SS-er Aus der Fünten tot in de puntjes voorbereid en gebeurde allerminst zachtzinnig. De ruim 1200 patiënten, van wie de meesten nog in pyjama of in een dwangbuis, werden hardhandig en zonder enige consideratie in gereedstaande vrachtwagens geladen totdat deze overvol waren. Verpleegster Jetty van Geens, werkzaam op een van de paviljoens, beschrijft de ontruiming en het gekerm van de patiënten als een ‘gruwelijk schouwspel’. Ze zag ook hoe Aus der Fünten het personeel in de eetzaal had verzameld en 50 verpleegsters en verplegers aanwees om de patiënten te begeleiden. De dagen voorafgaand aan de ontruiming was een deel van het personeel gevlucht of ondergedoken en het overgebleven personeel wachtte gespannen af wat er zou gebeuren.

Claartje van Aals, een levenslustige leerling

Portret Claartje van Aals

In de gang van een van een van de paviljoens zat een jonge leerling-verpleegster een brief te schrijven aan haar vriendin Aagje. Claartje van Aals (1922-1943) oogde uiterlijk kalm. Ze was van liberaal-Joodse afkomst en kwam uit Utrecht. Toen ze in 1940 de verpleegopleiding wilde volgen, was het Apeldoornsche Bos voor haar als Joods meisje de enige optie. ‘Aag, ik word vast een goede verpleegster’, schreef ze eerder aan haar vriendin Aagje.

En dat Claartje van Aals een goede verpleegster was, heeft ze bewezen door te kiezen voor haar patiënten. Zelf zei ze het zo: ‘Als ik wil kan ik duiken, maar ik voel me verplicht om met de mensen mee te gaan’. Op 5 februari 1943 is ze in Auschwitz vergast. Bij de jaarlijkse herdenking op 22 januari 2023 zijn alle namen van de slachtoffers van het Apeldoornsche Bosch voorgelezen, ook die van Claartje.

Verantwoording en leestip

Voor de citaten is gebruik gemaakt van S. Wijers, Als ik wil kan ik duiken… Brieven van Claartje van Aals, verpleegster in de joods psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch, 1940-1943 (Amsterdam, 1995)