Claartje van Aals, een levenslustige leerling

Verpleegkundigen van het Apeldoornsche Bosch (Bron Een Vandaag)

Het is 22 januari 1943, in 2023 is dat precies 80 jaar geleden. Een koude vrijdagochtend. Hoe werden ze wakker, de meer dan 1200 psychiatrische patiënten, de bijna 50 verpleegkundigen en leerling Claartje van Aals? Hebben ze eigenlijk wel geslapen of was de chaos in hun hoofd, de ontzetting, de angst voor wat stond te gebeuren, te groot? In 2023 herdenken we een wrang jubileum. 

Hoofdgebouw van het Apeldoornsche Bosch

In de nacht van 21 op 22 januari 1943 werd de Joods psychiatrische inrichting ‘Het Apeldoornsche Bos’ te Apeldoorn door de Duitse bezetter is ontruimd. Het Apeldoornsche Bosch, gelegen aan de Zutphensestraat, was opgericht in 1909 opgericht als Centraal Israëlitische Krankzinnigengesticht met als doel Joodse geesteszieken te verplegen. In 1934 werd naast de inrichting een opvanghuis geopend voor Joodse kinderen met een verstandelijke handicap, het zogenaamde Paedagogium Achisomog. Beide instellingen hadden moderne, progressieve ideeën en stonden goed bekend. In 1943 was de verpleging uitsluitend in handen van Joods personeel.

Een ‘gruwelijk schouwspel’

De ontruiming van beide instellingen was door de SS-er Aus der Fünten tot in de puntjes voorbereid en gebeurde allerminst zachtzinnig. De ruim 1200 patiënten, van wie de meesten nog in pyjama of in een dwangbuis, werden hardhandig en zonder enige consideratie in gereedstaande vrachtwagens geladen totdat deze overvol waren. Verpleegster Jetty van Geens, werkzaam op een van de paviljoens, beschrijft de ontruiming en het gekerm van de patiënten als een ‘gruwelijk schouwspel’. Ze zag ook hoe Aus der Fünten het personeel in de eetzaal had verzameld en 50 verpleegsters en verplegers aanwees om de patiënten te begeleiden. De dagen voorafgaand aan de ontruiming was een deel van het personeel gevlucht of ondergedoken en het overgebleven personeel wachtte gespannen af wat er zou gebeuren.

Claartje van Aals, een levenslustige leerling

Portret Claartje van Aals

In de gang van een van een van de paviljoens zat een jonge leerling-verpleegster een brief te schrijven aan haar vriendin Aagje. Claartje van Aals (1922-1943) oogde uiterlijk kalm. Ze was van liberaal-Joodse afkomst en kwam uit Utrecht. Toen ze in 1940 de verpleegopleiding wilde volgen, was het Apeldoornsche Bos voor haar als Joods meisje de enige optie. ‘Aag, ik word vast een goede verpleegster’, schreef ze eerder aan haar vriendin Aagje.

En dat Claartje van Aals een goede verpleegster was, heeft ze bewezen door te kiezen voor haar patiënten. Zelf zei ze het zo: ‘Als ik wil kan ik duiken, maar ik voel me verplicht om met de mensen mee te gaan’. Op 5 februari 1943 is ze in Auschwitz vergast. Bij de jaarlijkse herdenking op 22 januari 2023 zijn alle namen van de slachtoffers van het Apeldoornsche Bosch voorgelezen, ook die van Claartje.

Verantwoording en leestip

Voor de citaten is gebruik gemaakt van S. Wijers, Als ik wil kan ik duiken… Brieven van Claartje van Aals, verpleegster in de joods psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch, 1940-1943 (Amsterdam, 1995)

 

Verplegingswetenschap of de po?

Verpleegkundige, met het insigne van de A-verpleging op haar uniform, verzorgt een patiënte (ca. 1960) 

Het is 7 februari 1979. Eindelijk komt het goede nieuws. Minister van Onderwijs en Wetenschappen Pais maakt bekend dat er per 1 september 1980 een doctoraal studierichting ‘Verplegingswetenschap’ binnen de studierichting ‘Sociale Gezondheidskunde’ toestemming heeft om te starten.

De minister kiest voor de Rijksuniversiteit Limburg, want de overheid heeft met de provincie Limburg nog wat goed te maken. De sluiting van de mijnen tussen 1960 en 1970 heeft grote werkloosheid tot gevolg en er is onvoldoende perspectief voor een betere toekomst. Elke aanleiding tot werkgelegenheid wordt aangegrepen. En zo komt de eerste studie Verplegingswetenschap in Maastricht terecht, een goedmakertje van de overheid.

Wie deelt straks nog de po rond?

Krantenartikel uit 1978

De mededeling kwam voor het grootste deel van de verpleegkundige beroepsgroep als een donderslag bij heldere hemel. Daar zat nu niemand op te wachten. De 3-daagse WHO-conferentie in Den Haag had in 1972 al de vraag opgeworpen hoe de tekorten aan hoger opgeleid verpleegkundig personeel moesten worden opgelost. Het rapport ‘Higher Education in Nursing’ was het resultaat van die beraadslagingen en nu was het tijd voor actie. In 1973 stelde de overheid de Werkgroep Universitaire Opleiding Verpleegkundigen in onder leiding van voorzitter Joukje J. von Nordheim (1931-2000). Als hoofd van de afdeling ‘Verplegende en Verzorgende Beroepen van de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid’ mocht zij de discussies in goede banen leiden.  Maar snel ging dat niet. Nog jaren werd er gedebatteerd over nut en noodzaak van een studie Verplegingswetenschap en eerlijk gezegd stonden de partijen lijnrecht tegenover elkaar. Het verpleegkundig veld was heftig verdeeld. Want waarom moest verpleegkunde zo nodig een wetenschappelijke basis hebben? Was de Hbo-opleiding, nog maar net gestart in 1972, niet voldoende? En dan kwam die nieuwe studierichting ook nog eens in Maastricht, notabene de verste uithoek van het land. Niet alleen het verpleegkundig veld liet van zich horen, ook de media sprongen gretig in op de plannen om de verpleging een universitaire status te geven. ‘Iemand moet toch de po ronddelen’, zo luidde een schreeuwende krantenkop in de Haagsche Courant op 4 oktober 1978.

Vooral de politica Els Veder-Smit moest het in dit artikel ontgelden. En de decaan van de medische faculteit van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam Dijkzigt, prof. dr. S. A. de Lange, zag een universitair opgeleid verpleegkundige al helemaal niet zitten. “Je kan mijns inziens iemand die universitair is opgeleid, geen bedkastjes laten schoonmaken”, aldus de professor.

Portret van Kitty Verbeek

De Valkenburg Conferentie (1979)

Maar de opleiding kwam er dus, en nog onverwachts ook. De voor- en tegenstanders waren verbijsterd, maar kozen eieren voor hun geld. Tijdens een groots opgezette bijeenkomst in juni 1979, de zg. Valkenburg Conferentie, werd de balans opgemaakt. Voorstanders, tegenstanders en twijfelaars waren aanwezig. Centrale vraag was: Hoe moeten we verder met de invulling van de doctoraalstudie verplegingswetenschap? Voorzichtig begon men met het schetsen van de contouren van een nieuwe universitaire opleiding. Een groot probleem bleek het plan van het faculteitsbestuur om de studie Verplegingswetenschap los te koppelen van de opleiding tot verpleegkundige. Kitty Verbeek (1919-2007) noemde dit voornemen zelfs uitermate verontrustend. Nog verontrustender was in december 1979 het snoeiharde oordeel van de Academische Raad, waarin alle universiteiten vertegenwoordigd waren. Unaniem was men het erover eens dat een universitaire studie verpleegkunde totaal nutteloos was. Een verpletterend oordeel dat luidde: ‘Wat heeft een doctoraalprogramma voor zin in een wetenschap die niet bestaat en waarvan met niet weet of die ooit zal bestaan’?

 

De eerste 2 hoogleraren Van den Bergh (li), Huijer (re)

Te midden van een verdeeld veld en onder een tamelijk ongelukkig gesternte begon op 1 september 1980 de experimentele studie ‘Sociale Gezondheidskunde’. Zonder de energieke en volhardende aanpak van twee doorzetters Harry van der Bruggen en Georges  Evers (1950-2003) was het waarschijnlijk nooit wat geworden met de studie verplegingswetenschap. Zij zetten de schouders eronder en richtten de Capaciteitsgroep Verplegingswetenschap op. De bekroning op het harde werken kwam in 1986 met de benoeming van de eerste bijzonder hoogleraar Verplegingswetenschap Anneke van den Bergh-Braam (1927-2014). Zij vervulde deze functie tot 1991 en werd opgevolgd door dr. Huda Huijer, die tot 2003 gewoon hoogleraar was. In 1988 kwam er een voorzichtige samenwerking tot stand met Utrecht en Groningen, die ook wel graag een deeltijd studierichting Verplegingswetenschap wilden huisvesten. Dit zogenaamde MUG-verband (Maastricht-Utrecht-Groningen) was geen daverend succes en bloedde langzaam dood in 1998. Maastricht moest er door deze concurrentie hard aan trekken om studenten te werven, wat ze deden met een kleurig informatieblad.

Bulletins Verplegingswetenschap

Tot 2010 verliep de opmars van Verplegingswetenschap in Nederland moeizaam. Pas na 2015 groeide het aantal hoogleraren en promoties substantieel en kunnen we constateren dat verplegingswetenschap met 19 hoogleraren in 2023 met een flinke inhaalslag bezig is. Evidence Based Nursing is niet meer weg te denken uit de verpleegkunde.

Dat is een goede zaak, maar de echte vraag is natuurlijk wat de patiënt is opgeschoten met de verwetenschappelijking van het vakgebied. Zijn verpleegkundigen betere uitgerust met een wetenschappelijke opleiding? Geldt dat voor alle verpleegkundigen? Ervaren patiënten het verschil? Worden zij er beter van?

Zou het niet interessant zijn om eens uit te zoeken wat het antwoord op dit soort vragen is?

Jonge jaren van Frederike Meijboom

Geboorteakte Frederike Meijboom, Rotterdam 1871

Op zondagochtend 26 maart 1871 kwam Frederike Meijboom(1871-1971) ter wereld. Na een vlotte bevalling konden de ouders Willem F. Meijboom en Louise H. F. Hamacher om 10.00 s ‘ochtends een welgeschapen dochter in de armen sluiten.

De vreugde was groot, want de kleine Frederike was niet hun eersteling. Willem en Louise, getrouwd in 1865, kregen een jaar na hun huwelijk een eerste dochter, Johanna. Vader Meijboom, Officier van Gezondheid, was tijdens de geboorte van zijn eerste kind op zee richting Oost-Indië en hoorde het bericht pas twee maanden later. Tot groot verdriet van de ouders overleed de baby in de zomer van 1866 aan de cholera, nog maar vijf maanden oud. Vader Meijboom, nog steeds op zee ergens in de buurt van Macassar, kreeg dit bericht wederom op zee en dus veel later te horen. In zijn Memoriaal beschrijft hij hoe verdrietig hij was, vooral omdat hij niet bij zijn vrouw kon zijn. Na deze verdrietige gebeurtenis zou hij nog drie jaar op zee blijven en pas in 1869 terugkeren naar huis. Louise was speciaal naar Brussel gereisd om haar man op te halen en dolgelukkig sloten ze elkaar eindelijk in de armen. Na enkele verhuizingen vestigde het echtpaar Meijboom zich op een bovenwoning in de Hugo de Grootstraat 13 in Rotterdam, waar baby Frederike het licht zag.

Meijboom of Meyboom

Portret van Willem Frederik Meijboom (bron: Memoriaal. Met dank aan de familie)

Een dag na de geboorte deed vader Meijboom, inmiddels 39 jaar oud, aangifte bij de Burgerlijke Stand. Willem Frederik Meijboom (1831-1904) koos als getuigen Cornelis Pilaar, een collega Officier en zijn oudere broer Jan, burgemeester te Rhijnsburg. Frederika, zoals haar naam op de akte staat vermeld, is vernoemd naar haar Duitse grootmoeder, afkomstig uit Emmerich. Al snel noemden haar ouders haar Frederike, en later Fré. Ook opvallend op de geboorteakte is de spelling van de achternaam, namelijk Meijboom, dus met een lange ij. In de loop van haar lange leven, – Frederike Meijboom stierf op 100-jarige leeftijd-. werd de schrijfwijze van haar achternaam steeds vaker verkort tot ‘Meyboom’, iets wat ze zelf ook steeds vaker deed. Maar de officiële schrijfwijze is dus Meijboom.

Zorgen over haar gezondheid

Frederike Meijboom op latere leeftijd

In 1873 kreeg Frederike een zusje, Louise, vernoemd naar haar moeder. Na het tragisch overlijden van hun eerste kindje waren de beide dochters Frederike en Louise, een kostbaar bezit. Elke symptoom van een ziekte werd nauwkeurig in de gaten gehouden. Toen Frederike met vijf maanden longproblemen kreeg, waren haar ouders zeer bezorgd. Een paar jaar later was Frederikes gezondheid opnieuw reden voor paniek. Op 3-jarige leeftijd kreeg ze huiduitslag, gepaard gaand met koorts en “hersenverschijnselen”. Vader Meijboom, zelf arts, kende de weg in de wereld van de gezondheidszorg als geen ander. Hij aarzelde niet om voor zijn “oudste lieveling Frederika” de hulp van de bekende dr. H. W. de Monchy (1813-1905) in te schakelen, oprichter en geneesheer-directeur van het Rotterdamse Sophia Kinderziekenhuis. Frederike herstelde volledig, maar zou in haar 100-jarige leven nog vaak met de gezondheidszorg in aanraking komen.

Dit verhaal van de kleine Frederike laat zien hoe kwetsbaar jonge kinderen in de 2de helft van de 19de eeuw waren. Maar het zegt ook iets over zoveel dappere moeders, die, als hun man soms jarenlang op zee was, er al die tijd alleen voorstonden.

Een uniek schilderij

Portret van Lientje De Bussy Kruysse (1929)

 

Op het nippertje! Nog net voordat het ter verkoop op de veiling werd aangeboden, kon ik dit schilderij aanschaffen. En het is niet zomaar een schilderij. Zittend achter haar bureau, ijverig aan het werk, heeft de schilder hier Lientje De Bussy Kruysse afgebeeld. Ze groeide uit tot een rolmodel voor de verpleging.

Lientje Kruysse (1858-1937), ook wel Lien of Line genoemd, kwam uit een gegoede Amsterdamse familie. Haar vader was apotheker en had zitting in de Commissie van Gasthuizen, die zich bezighield met de verbetering van het gasthuispersoneel. Zijn verhalen hebben ongetwijfeld diepe indruk gemaakt op de jonge Lientje. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze iets met verpleging wilde doen. De eerste serieuze opleiding voor vrouwen om verpleegster te worden, startte in 1879 en het duurde nog een aantal jaren voordat die opleiding echt een succes was. Zoals de meeste ouders van huwbare dochters waren ook de ouders van Lientje niet enthousiast over haar voornemen om verpleegster te worden. Wel mocht ze in 1886, inmiddels 28 jaar en de huwbare leeftijd ruim gepasseerd, als lerares naar Groot-Brittannië. Hier gaf ze in de zomermaanden les in Frans, Duits en muziek. Hier kwam ze ook in aanraking met de verpleging die vanwege de invloed van Florence Nightingale al veel verder was geprofessionaliseerd dan in Nederland.

Lientje Kruysse in het uniform van de Queen’s Nurses

Lientje Kruysse, een trotse verpleegster

Eenmaal terug in Nederland begon ze in het Academisch Ziekenhuis in Leiden met de opleiding, wat haar niet meeviel. Ze verruilde Leiden voor Edinburgh in Schotland waar ze werd toegelaten tot opleiding van de prestigieuze Queen’s Nurses en waar ze in 1894 het diploma haalde. Vooral de wijkverpleging trok haar. Eenmaal terug in Nederland richtte ze in Zwolle bij de Nederlandsche Protestantse Bond de wijkverpleging op naar Brits model. Ze droeg tijdens haar werk steevast het prachtige uniform van de Queen’s nurses.

Lesboek uit 1910

Adjunct-directrice Kruysse

In 1896 kreeg Liente Kruysse de baan van haar leven aangeboden en volgde ze Anna Reynvaan op als adjunct-directrice van het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis. Drie jaar later legde ze met twee andere directrices het fundament voor de Nederlandsche Bond voor directrices en adjunct-directrices. En toen kwam het moment waarop de ongetrouwde Lientje vast niet meer had gerekend. Ze trouwde in 1904 met de Haarlemse uitgever en weduwnaar J. H. Cosquino de Bussy (1848-1917) en stopte met werken in het ziekenhuis. Haar betrokkenheid bij de ontwikkelingen in de verpleging bleef echter onverminderd hoog. Tijdens haar huwelijk schreef ze in 1910 het lesboek ‘Ziekenverpleging, Practische en Ethische wenken’. De inhoud zijn de uitgewerkte aantekeningen van de cursussen die zij aan leerling-verpleegsters gaf tijdens haar werkzame periode in het ziekenhuis. Het leerboek, gedrukt in de drukkerij van haar echtgenoot, was vanaf het begin een groot succes en heeft meerdere drukken gekend.

Bestuur van de Nationale Bond met Lientje als voorzitter in het midden

Het schilderij en de schilder

Het is in de functie van voorzitter dat zij afgebeeld staat op het schilderij, dat geschilderd én gesigneerd is door de kunstschilder Louis Jacques Goudman. Goudman is geboren in 1880 in Brussel en overleden in 1939 te Amsterdam. Hij schilderde veel portretten, altijd op doek en in de traditionele,19e-eeuwse  sobere stijl. Zijn portretten tonen wat donker maar tegelijk mooi gedetailleerd, zoals ook bij dit portret van Lientje goed is te zien. Goudman schilderde Lientje in 1929, zoals de signering links boven aangeeft, waarschijnlijk in opdracht van het bestuur van de Bond. Ze is afgebeeld werkend aan haar bureau met naast haar een afbeelding van haar lesboek uit 1910. Het is een groot schilderij van 1m breed bij 1.30m hoog en nog in de originele lijst. Opvallend is dat Goudman hier een vrouw geschilderd heeft, terwijl bijna al zijn portretten mannen afbeelden. Zo schilderde hij vaak Amsterdamse artsen en hoogleraren. Vier portretten van bekende hoogleraren zijn nog in bezit van de Vrije Universiteit.

Portret van kunstschilder Louis Goudman

Ik heb me afgevraagd waarom Louis Goudman Lientje de Bussy-Kruysse geschilderd heeft. Zou het te maken kunnen hebben met het feit dat Goudman getrouwd was met Petronella Elbertine Bentstz, arts van beroep? Hoe dan ook, met een strenge blik kijkt Lientje dagelijks op mij neer en als ik omhoog kijk dan zie ik een verpleegkundig leider, een pionier, op wier schouders de verpleegkundige-van-nu staat,  al zijn ze zich daar niet altijd van bewust.

 

 

Nursing Congres 1892-2022

Jeltje de Bosch Kemper and Anna Reynvaan

 

A reincarnation of a nursing conference: The European Nursing Congress past and present

Starting on 4 October 2022, the 6th European Nursing Congress will take place online and in different hubs across the Netherlands. In a marathon session of 4 days, hundreds of nurses from all over Europe will discuss the theme “Future Proof Nursing. Nurses as Key Drivers of Change”. This congress is a reincarnation of a conference from 1892, exactly 130 years ago.

First Nursing Congress 1892

In 1892, the Dutch nursing world was all aflutter. Everyone was focused on the first conference for nurses, the so-called “Samenkomst van Belangstellenden in Ziekenverpleging” (“Gathering of Interested Parties in Nursing”), also simply known as the “Gathering”. This large event, held for the very first time, was meant to showcase how nursing had become an established profession. For a long time, home nursing in the Netherlands had stayed more popular than nursing in hospitals. With this conference, the Netherlands showed that it no longer lagged behind the rest of Europe in terms of recognizing nurses as paid hospital workers.

Although the speakers, all of them physicians, tried to claim the honour for the conference, the idea came from nurse Johanna Paulina (Anna) Reynvaan (1844-1920) and feminist Jeltje de Bosch Kemper (1836-1916), two ladies with guts. The aim of the Gathering was to achieve more unity in the education and the examination of nurses. This was still rather a haphazard affair, as each hospital followed a different procedure. After extensive preparations, the nursing conference took place on October 4 and 5, 1892, in Amsterdam.

Nurses in uniforms

As participants reached the venue, the classroom of the recently opened Wilhelmina-Gasthuis was nearly filled to capacity. Estimates of the number of attendants went as high as 250, even though, officially, 175 participants of the conference were registered. A wide variety of organisations had assembled, Christian as well as secular, all active in the field of nursing in the Netherlands. The collaboration of so many parties made the conference extraordinary. Directors of hospitals, physicians, ministers and managers of private organisations were present, together with politicians and municipal functionaries. For two days, ideas were exchanged on urgent issues in nursing, including the unity of exams and diplomas, the importance of organized home nursing, and the education of psychiatric nurses.

Still, these important men were not the main attraction. Much more attention was paid to the many women seated in the hall. Female directors, deputy directors, head nurses and private nurses were among the crowd in the Wilhelmina-Gasthuis. “Ordinary” nurses who had managed to get a day off were also present. Among them, the “fresh-looking nurses” of the Wilhelmina-Gasthuis, colouring the rows with their blue uniforms, were especially remarked upon. Many of the nurses were wearing the prescribed uniform of their own hospital, which gave a pleasant, colourful impression. But not everyone was charmed. The physician G. C. Nijhoff, one of the speakers at the conference, had a different opinion. In his report for the Dutch Periodical for Medical Science, he noted that the uniforms “gave some [nurses] a tasteful appearance, while looking awful on others”.

A woman as president

It was also remarkable that the conference had a female president, Jeltje de Bosch Kemper, a noblewoman from a family of ministers, governors and politicians. But even if a substantial number of leading women in the nursing world was present at the conference, none of them was among the speakers. Not a single female director gave a lecture, not even Anna Reynvaan, who initially came up with the idea for the conference. All lectures were given exclusively by prominent (male) physicians. And even though the shaping of the nursing profession, the nursing education requirements, and the examination of future nurses were fiercely debated after the lectures, none of the nurses present participated. It need not surprise us that the most important conclusions of this “Gathering” were rather trivial: that there should be more collaboration and more unity between the different hospitals and institutes.

A successful conference, people said at the time. The newspapers were jubilant. But one might ask, would the modernization of the nursing profession not have taken a different course, if the nursing directors and the nurses themselves had been able to voice their wishes at the conference? The Gathering cannot be called more than a hesitant exercise in professionalization. For the 6th European Nursing Congress, the reincarnation of the “Gathering” taking place this October, expectations are rather different. Many of the issues discussed 130 years ago, such as the professionalization of nursing, are now seen as problems of the past. Yet some things have stayed the same: nurses have little influence on larger issues of public health, and their organizations are often ignored. Let us hope that the new edition of the Gathering will contribute towards changing this situation.

15 draagsters Florence Nightingale Medaille

Op deze foto staan 15 vrouwen, die een ding gemeen hebben: ze hebben allemaal de Florence Nightingale medaille ontvangen. Voor de geschiedenis van de verpleegkunde is het belangrijk dat we weten wie deze vrouwen zijn. Waarom hebben ze deze prestigieuze medaille ontvangen? Het geeft ons een beeld van de individuele bijdrage van verpleegkundigen aan de ontwikkeling van het beroep. Wat hebben ze gedaan dat maakte dat ze deze grote eer te beurt viel? Want als je de Florence Nightingale Medaille opgespeld krijgt dan ben je niet zomaar een verpleegkundige. Nee, dan heb je echt iets betekend. Dan ben je een dappere dame!

Tussen 1935 en 2009 hebben 15 vrouwen deze medaille gehad. De meeste van hen waren gediplomeerd verpleegkundige, een enkeling was Rode Kruis helpster of vrijwilligster. Sommigen van hen hebben daadwerkelijk in de vuurlinie gestaan, anderen hebben meer achter de schermen hun sporen verdiend. Een van de 15 dames, Rie Bloem, heeft de medaille postuum gekregen. De meeste dames vonden dat ze echt niets bijzonders hadden gedaan, gewoon hun werk. Wat hen betreft was een medaille niet nodig. Een kandidate heeft met redenen omkleed de medaille geweigerd. Het hadden dus 16 winnaressen kunnen zijn.

Interessant is ook de vraag waarom de Florence Nightingale Medaille überhaupt in het leven is geroepen, wie dat heeft gedaan en waarom. En hoe zag de medaille er uit en hoe ging de voordracht? Wie reikte de medaille uit en hoe zag zo’n feestelijke bijeenkomst eruit? Belangrijke vragen, die allemaal aandacht krijgen. Maar vooral de context waarin de dames de medaille kregen, zal in de komende bulletins centraal staan.

Ambulanceteam tijdens de Boerenoorlog

De zes blogs voorzien van literatuur in dit verpleegkundig-historisch bulletin zijn:

  1. Inleiding. De 15 Nederlandse draagsters van de Florence Nightingale Medaille
  2. Het Nederlandse Rode Kruis
  3. De Florence Nightingale Medaille
  4. Oorlogszusters
  5. Ailke Westerhof, de eerste dappere dame
  6. Adrie Schipper de tweede dappere dame

In het voorliggende bulletin maak ik een begin met de ontrafeling van de levens van de eerste twee ‘dappere dames’. In de volgende bulletins komen de andere 13 draagsters aan bod, zodat we uiteindelijk een goed beeld krijgen van de verdiensten van deze 15 dappere dames. Nu staan Ailke Westerhof en Adrie Schipper centraal. Ailke kreeg de medaille in 1935, Adrie in 1937. Twee rasechte oorlogszusters op wie we buitengewoon trots mogen zijn. Leer ze hier kennen!

Tenslotte, in het ‘Handbook of the International Red Cross and Red Crescent Movement’ (Fourteenth Edition, 2008) wordt de medaille officieel de Florence Nightingale Medal genoemd. Ik kies ervoor om de Nederlandse vertaling te gebruiken.

Het Nederlandse Rode Kruis

Met een ferme pennenstreek ondertekende Koning Willem III in 1867 het Koninklijk Besluit voor de oprichting van “Eene Nederlandsche Vereeniging tot het verleenen van hulp aan zieke en gewonde krijgslieden in tijd van oorlog”. In 1922 is dat precies 155 jaar geleden.

Henry Dunant (1828-1910)

Met de oprichting van het Rode Kruis had ook Nederland zich achter de principes van de Eerste Conventie van Genève geschaard, zij het later dan andere landen. Deze Conventie legde in 1864 formeel de internationale regels voor het Humanitair Oorlogsrecht vast. Landen die zich hierbij aansloten, beloofden zich te houden aan regels die gelden tijdens een gewapend conflict. Het was vooral de militair arts Johan Basting (1817-1870) die de Rode Kruis plannen in Nederland onder de aandacht wist te brengen.

Henry Dunant, de bedenker

Het idee van het Rode Kruis kwam uit de koker van de Zwitser Jean Henri Dunant (1828-1910). Henri, die zijn naam later veranderde in de Engelse versie Henry, was in het dagelijks leven bankier. Op reis door Europa belandde hij in 1859 in het Italiaanse Solferino, waar net een bloedige veldslag had plaatsgevonden. Bijna 40.000 gewonde en stervende soldaten bleven na de afloop zonder enige hulp op het slagveld achter. Sociaal bewogen als Dunant was, organiseerde hij met de plaatselijke bevolking ter plekke hulp voor de gewonde soldaten. Bijzonder en nieuw was dat hij bij die hulpverlening geen onderscheid maakte tussen de strijdende partijen. Zowel de Oostenrijkse als de Franse gewonden kregen hulp. Dat principe zou later de kern van de Rode Kruis organisatie zijn. Eenmaal terug in Genève legde Dunant zijn ervaring vast in het boek ‘Un souvenir de Solférino’, waarmee hij vervolgens de wereld wakker schudde.

Zusters op de ambulance

Rode Kruis Ambulance te Gleiwitz (1916)

De eerste grote oorlog waarbij het Nederlandse Rode Kruis in actie kwam, was de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871). Het conflict tussen Pruisen en Frankrijk was kort maar krachtig. Vanuit Nederland werden 10 noodhospitalen of – in Rode Kruis termen gesproken – Ambulances gestuurd om de gewonden te verzorgen. Vanuit Nederland ging een onbekend aantal vrouwen naar het oorlogsgebied om de gewonden te verzorgen. Ook vier diaconessen uit Haagse Bronovo Ziekenhuis gingen mee met de Rode kruis Ambulance. De directrice van het Diaconessenhuis, Sara Katharina de Bronovo (1817-1887) was erbij voor de begeleiding van de diaconessen. En om een oogje in het zeil te houden. Zelf liep ze er een ernstige bloedvergiftiging op die haar nog lang parten speelde. Ook bij volgende oorlogen gingen Haagse diaconessen vaak met de Rode Kruis Ambulances mee. Zo poseerden ze in 1916 trots met het hele ambulanceteam in de ziekenzaal te Gleiwitz (Silezië) tijdens WO I. De diaconessen zijn herkenbaar aan de manier waarop ze hun kapje dragen, gestrikt onder de kin.

Twee internationale medailles

Het Nederlandse Rode Kruis stelde meteen na 1867 eremedailles beschikbaar voor degenen die zich tijdens oorlogen dapper hadden gedragen. Zowel vrijwilligers als professionele krachten konden hiervoor in aanmerking komen. Een van de bekendste is de ‘Medaille van Verdienste van het Nederlandse Rode Kruis’. Deze medaille kreeg bij Koninklijk Besluit in 1910 de status van Koninklijke Onderscheiding. Hij wordt dus niet uitgereikt door het Rode Kruis maar door de Nederlandse Regering, een Regeringsmedaille dus.

Naast nationale medailles zijn er twee medailles die een internationale status hebben, namelijk de Henry Dunant Medaille en de Florence Nightingale Medaille. Het is niet verwonderlijk dat deze medailles vernoemd zijn naar beide grootheden. Immers, Florence Nightingale (1820-1910) en Henry Dunant zijn niet alleen tijdgenoten, ze deelden ook dezelfde passie. Beiden hebben enorme invloed gehad op de verzorging van gewonde soldaten in de 19de eeuw. Er is wel een verschil in de wijze waarop ze aankeken tegen die hulpverlening. Nightingale vond dat gediplomeerde verpleegsters daarvoor het meest geschikt waren. Dunant wilde vooral vrijwilligers hiervoor inzetten, zoals bij het Rode Kruis ook gebeurde. Het Internationale Rode Kruis te Genève beslist over de toekenning van deze twee medailles. De Henry Dunant Medaille is van recente datum en uitgegeven bij het 100-jarig bestaan van het Internationale Rode Kruis. Hij werd in 1969 voor het eerst uitgereikt. In 1979 ontving de Nederlandse Rode Kruis medewerkster Loes van Overeem (1907-1980) deze bijzondere medaille voor haar daadkrachtig optreden tijdens WO II in Kamp Amersfoort.

Florence Nightingale (1820-1910)

De tweede en oudste internationale medaille is de Florence Nightingale Medaille, ingesteld in 1912 als hoogste internationale onderscheiding voor verpleegkundigen.

Bronnen en literatuur

  • De mens achter de medaille. 100 jaar Rode Kruis-onderscheidingen (Uitgave NRK, 2014)
  • Un Souvenir de Solférino, door Henry Dunant. (Herdruk Comité International de la Croix-Rouge, 1990)
  • Het Nederlandsche Roode Kruis (1867-1967), door G. M. Verspyck (’s Gravenhage, 1967)
  • Over Loes van Overeem: https://historiek.net/loes-van-overeem-kamp-amersfoort/71698/

 

Florence Nightingale Medaille

Tijdens de 8ste Internationale Rode Kruis Conferentie te London in 1907 werd het idee geopperd om een speciale medaille uit te reiken als eerbetoon aan Florence Nightingale. Florence Nightingale zelf had zich op dat moment al teruggetrokken uit het openbare leven. Zij stierf in 1910, drie jaar later dus. 

De Florence Nightingale Medaille (1912)

Nightingale ’s overlijden in 1910 kwam als een schok. De meeste mensen dachten dat ze al was overleden. Haar begrafenis in London, waar verpleegsters in uniform massaal aanwezig waren, werd een indrukwekkende gebeurtenis. Direct na haar dood schoten de initiatieven om Nightingale te herdenken als paddenstoelen uit de grond. Ook het Internationale Rode Kruis blies het plan uit 1907 nieuw leven in. Tijdens de 9de Internationale Rode Kruis Conferentie te Washington in 1912 volgde de officiële instelling van de Florence Nightingale Medaille. Er kwam een fonds ter herinnering aan Florence Nightingale vanwege haar grote inzet om de verzorging van gewonden soldaten te verbeteren. Het doel van het fonds was om de zogenaamde Florence Nightingale Medaille uit te reiken, met bijbehorend diploma in het Frans op perkament. In het ‘Handbook of the International Red Cross and Red Crescent Movement’ wordt de medaille officieel de ‘Florence Nightingale Medal genoemd. Ik gebruik de vertaling.

De voorkant van de medaille en het draaginsigne

Eerst 12, dan 36, nu 50 medailles 

In eerste instantie stond in het reglement dat jaarlijks maximaal 12 medailles wereldwijd uitgereikt zouden worden. De toewijzing van de medaille door het Internationale Rode Kruis moest bekend gemaakt worden op 12 mei, de verjaardag van Nightingale. De daadwerkelijke uitreiking in het land van de kandidaat kon dan later plaatsvinden. De medaille mocht uitsluitend toegwezen worden aan gediplomeerd verpleegsters die zich “op werkelijk uitzonderlijke wijze door hare bijzondere toewijding aan zieken of gewonden in tijd van oorlog of in tijd van vrede zouden hebben onderscheiden”. Belangrijk was dat het hierbij ging om gediplomeerde verpleegsters, die ingeschreven stonden bij het Rode Kruis.

Een jaar later, in 1913, volgde nadere uitwerking van het plan. Zo moest de medaille worden uitgereikt door het staatshoofd van het land waarin de winnaar woonde. Kon dat niet, dan reikte de (onder)voorzitter van het Nationale Rode Kruis van dat land de medaille uit. Bovendien moest de uitreiking een feestelijk karakter hebben. Om onbekende reden werd in 1914 besloten de medaille niet jaarlijks maar eens in de twee jaar toe te kennen. Tijdens de Internationale Conferentie in Den Haag in 1928 werd het aantal uit te reiken medailles verhoogd van 12 naar 36 medailles per twee jaar. Tegenwoordig worden wereldwijd maximaal 50 medailles per twee jaar uitgereikt.

Een belangrijke aanpassing op het reglement vond ook plaats tijdens de 15de Internationale Conferentie in Tokyo. Daar besloot de Commissie dat behalve gediplomeerde verpleegsters “ook als candidaten voor deze hooge decoratie kunnen worden voorgedragen vrijwillige hulpkrachten, ingeschreven bij het Roode Kruis, die in tijd van oorlog of bij massale rampen door hare buitengewone toewijding aan de zieken en gewonden, zich op zeer bijzondere wijze hebben onderscheiden”. Dit besluit, waarvan onduidelijk is waarom het werd geïntroduceerd. zette de deur open voor het uitreiken van de medaille aan niet-verpleegkundigen.

Zo ziet de medaille er uit 

De Florence Nightingale Medaille is 4.5 cm hoog en heeft een ovale vorm. Bij de medaille hoort een kleine draaginsigne. Beide medailles hebben een rood-wit draaglint of baton en zitten in een groen doosje met fluwelen bekleding. Het bovenste deel van de medaille bestaat uit een lauwerkrans in goud en groen met daarbinnen het Kruis van Genève, het Rode Kruis. Het hart van de medaille bestaat uit een zilveren afbeelding van Florence Nightingale met de bekende lamp waarmee ze tijdens Krimoorlog haar rondes deed. Langs de rand staat de tekst: ‘Memoriam Florence Nightingale 1820-1910’. De medaille wordt gedragen op de linkerschouder.

Achterkant medaille van C. Baas (1993)

De achterkant van de medaille is minstens zo interessant. Daar staat namelijk de naam van de winnaar, de datum 12 mei en het jaar, waarin de medaille is toegekend. In de rand staat in het Latijn de tekst gegraveerd: ‘Provera misericordia et cara humanitate per ennis decor universalis.’ Vertaald betekent dat: ‘Een duurzaam en universeel eerbewijs voor waarachtige barmhartigheid en menslievende zorg’. Bij de medaille hoort een oorkonde in een koker. Later kwam daar standaard een ingelijst portret van Florence bij. Tegenwoordig krijgt de winnaar ook een fotoboek met een fotoreportage van de uitreiking

De medaille kan sinds 1921 ook postuum worden uitgereikt, wat in Nederland tot nu toe een keer is gebeurd. Zo ontving wijkverpleegkundige M. A. A. (Rie) Bloem (1912-1944) de medaille postuum in 1947.

Bronnen en literatuur

              • De mens achter de medaille. 100 jaar Rode Kruis-onderscheidingen (Uitgave NRK, 2014)
              • Nederlandse draagsters van de Florence Nightingale Medal van het Internationale Rode Kruis (E.H. Müller)
              • Archief van het Nederlandsche Rode Kruis (Nationaal Archief, toegang 2)
              • De Florence Nightingale Medaille (J. H. Prinsenberg, 1985)
              • Handbook of the International Red Cross and Red Crescent Movement (Fourteenth Edition, 2008)

Oorlogszusters

De instelling van de internationale Florence Nightingale Medaille in 1912 leidde in Nederland niet direct tot de voordracht van geschikte kandidaten. Pas in 1935, dus 23 jaar later, zou deze prestigieuze medaille voor het eerst worden uitgereikt, in 1937 volgde er nog een. Twee rasechte oorlogsverpleegsters, Ailke Westerhof en Adrie Schipper, waren de gelukkigen.

Tussen 1815 en 1940 was Nederland zelf niet in oorlogen verwikkeld. Er was ook geen overheidsbeleid dat verpleegsters en verplegers verplichtte om naar oorlogsgebied te gaan. Toch reisde een behoorlijk aantal van hen – een schatting van ca. 300 is niet onaannemelijk – naar oorlogsgebied om gewonden soldaten te verzorgen. Twee categorieën verpleegster en verplegers zijn hierbij te onderscheiden.

Roeping en avontuur

Rosa Vecht in uniform (ca. 1914)

De eerste categorie is de groep verpleegsters en verplegers die vanuit plichtsbesef besloot te gaanhelpen. Vaak waren dit particulier werkende gediplomeerden, de zogenaamde ‘vrije verpleegsters’. Zij waren niet gebonden aan een ziekenhuis of organisatie. Zij konden gemakkelijk stoppen met werken. Hun drijfveer was vaak dat ze wilden helpen vanuit roeping, maar ook spanning en avontuur speelden een rol. Eenmaal aangekomen in het oorlogsgebied legden ze zelf contact met een van de vele oorlogshospitalen. Meestal was daar geen gebrek aan werk. Deze groep particuliere verpleegsters en verplegers stonden niet centraal geregistreerd, dus is het moeilijk een beeld te krijgen van wie ze waren. Van een enkeling is dat wel bekend. Zo nam particulier verpleegster Rosa Vecht (1881-1915) bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 de trein naar Antwerpen. Ze ondernam deze reis zelfstandig en zonder toestemming van haar ouders. Korte tijd werkte ze waarschijnlijk in het Antwerp British Hospital. In oktober van dat jaar vertrok ze naar het hospitaal in Veurne, waar ze begin 1915 op 33-jarige leeftijd door een granaatscherf werd gedood. Rosa Vecht had geen directe relatie met het Nederlandse Rode Kruis. Waarschijnlijk was ze daarom geen kandidaat voor de Florence Nightingale Medaille.

Rode Kruisverpleegsters en -verplegers

Operatie tijdens de Balkanoorlog, 1913

De tweede categorie waren de verpleegsters en verplegers die een verbintenis hadden met het Nederlandse Rode Kruis. Zo had het Rode Kruis vanaf 1888 een eigen 2-jarige opleiding, verbonden aan het Rotterdamse Coolsingel Ziekenhuis. Deze ‘Roode Kruis Pleegzusters’ waren na hun opleiding verplicht zich aan te sluiten bij een Rode Kruis Ambulance. Zo’n Ambulance was een noodhospitaal voorzien van operatie- en verbandmiddelen, artsen, verplegend- en ondersteunend personeel. Het Nederlandse Rode Kruis had tot 1914 met succes diverse Ambulances naar oorlogsgebieden gestuurd. Zo gingen er zeven naar de Frans-Duitse oorlog (1870), vier naar de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) en een naar de Balkanoorlog (1912-1913). Met deze Ambulances gingen Nederlandse verpleegster en verplegers mee. Echter, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verbood de Nederlandse regering het Rode Kruis om opnieuw Ambulances uit te sturen. Als voorwendsel gebruikte de overheid het argument dat men niet het risico wilde lopen zonder artsen, verpleegsters en hulpmiddelen te zitten mocht er onverhoopt ook hier oorlog uitbreken. Om toch Ambulances uit te kunnen zenden, zamelden particuliere organisaties en kapitaalkrachtige burgers op grote schaal geld in. Dankzij deze inzamelingsacties konden tussen 1914 en 1918 tien Ambulances worden uitgestuurd, allen bemenst met Nederlandse artsen, verpleegsters en verplegers. Waarom sommige extern gefinancierde Ambulances wel en anderen niet het Rode Kruis symbool mochten gebruiken, is onduidelijk. Mogelijk speelden financiën daarbij een rol.

Ailke Westerhof (li) en Adrie Schipper

Twee verpleegsters kregen voor hun dappere optreden in diverse oorlogssituaties de Florence Nightingale Medaille: Ailke Westerhof in 1935 en Adrie Schipper in 1937. Zij waren de eerste Nederlandse kandidaten, die voldeden aan de strenge criteria van het Internationale Rode Kruis. Wie waren deze 2 verpleegsters en waarom ontvingen zij deze eremedaille?

Nawoord

Belangrijk is nog te vermelden dat samen met Ailke Westerhof en met Adrie Schipper veel meer verpleegsters en verplegers meegingen op de ambulances van het Rode Kruis, zoals de verpleegsters Van der Made en Koning en de verplegers A.F. Henken en M. Das. Om maar enkele namen te noemen. De vraag, waarom juist Ailke Westerhof en Adrie Schipper de medaille kregen en niet een van de andere oorlogsverpleegkundigen, die toch hetzelfde hadden meegemaakt, blijft een nog onopgeloste vraag. Waarschijnlijk was een belangrijke factor dat beide verpleegsters nauwe banden onderhielden met het Rode Kruis. Westerhof na afloop van de Eerste Wereldoorlog als docente voor Rode Kruis helpsters en Schipper omdat zij een van de weinigen was die de eigen Rode Kruis opleiding had gevolgd.

Bronnen en literatuur

  • Rosa Vecht (door N. Wiegman). Lemma 258 in ‘1001 vrouwen in de 20ste eeuw’ (Els Kloek, 2018)
  • ‘In Memoriam Zuster Rosa Vecht’ door dr. A. Couvée in Tijdschrift voor Ziekenverpleging, 4 (1915)
  • Joods leven in Elburg (door Willem van Norel, Elburg, 2014)
  • Het Roode Kruis (12.3.1.1.) in Het Coolsingelziekenhuis te Rotterdam (1839-1900) (door M. J. van Lieburg)

Ailke Westerhof, de eerste dappere dame

Ailke Westerhof (1876-1946) was geboren in het Groningse Leens, waar haar vader smid was. In 1894, op 18-jarige leeftijd, verliet ze haar geboortedorp en vertrok naar Amsterdam. Ze ging werken bij de bekende gynaecoloog prof. M. A. Mendes de Leon (1856-1924), die een privékliniek bezat aan de Sarphatistraat 13. Deze ‘Gynaecologische Inrichting’ bood plek aan 20 patiënten. De kliniek stond goed bekend, want “de pleegzusters zijn bij de hand, ook ’s nachts, en komen onhoorbaar binnen om de helpende hand te bieden”.

Het is (nog) niet bekend in welk ziekenhuis Ailke Westerhof uiteindelijk haar opleiding tot verpleegster heeft gevolgd. Het feit dat ze in 1911 ingeschreven staat als lid van de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging geeft wel aan dat ze gediplomeerd was. Niet-gediplomeerde verpleegsters konden namelijk geen lid worden.

Vlektyfus, malaria en infecties (1913)

Toen de Tweede Balkanoorlog in 1913 uitbrak, – een conflict om de macht in de door de Ottomanen verlaten gebieden – , sloot zuster Westerhof zich aan bij een van de Rode Kruis Ambulances naar Servië. Deze stond onder leiding van de bekende arts dr. Arius van Tienhoven (1886-1965). In 1924 schreef ze in het Tijdschrift voor Ziekenverpleging over deze periode: “Toen ik voor het eerst een transport gewonden zag, was ik diep onder den indruk van zooveel groote ellende, maar je moet gauw je zinnen bij elkaar hebben, om te kunnen helpen”. Zelf kwam ze ook niet ongeschonden uit de strijd. Zo kreeg ze vlektyfus en malaria en liep ze bij de operatie van een gewonde soldaat een lelijke infectie op, die haar bijna het leven kostte. De infectie was zo erg, “dat de dokter het bijna noodig achtte mijn arm te amputeeren, maar ik zeide: ik ga liever dood dan met één arm in Holland terug te keeren”. Terug in Nederland volgde nog een lange periode van herstel, waarbij uiteindelijk toch nog een vinger van haar rechterhand moest worden geamputeerd. Maar haar arm kon worden gered.

Opnieuw in Servië (1914)

In de verbandkamer (Ailke rechts)

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 was haar arm genezen en wilde Ailke Westerhof weer met een ambulance naar Servië. Omdat Nederland zelf geen ambulance stuurde, vertrok ze op eigen houtje en voor eigen kosten met een groepje gelijkgestemden naar Servië. Daar meldde ze zich aan bij het Servische-Rode Kruis en reisde met de Rode Kruis Ambulance naar Hongarije en Servië. In Servië werkte ze in het stadje Waljiwo, dezelfed plek waar ze in 1913 ook was gestationeerd. Opnieuw verpleegde ze onder afschuwelijke omstandigheden en tijdens zware bombardementen gewonde soldaten. In het Tijdschrift voor Ziekenverpleging uit 1924 keek ze terug op die tijd en verwoordde ze nuchter: “Ik ging met een zuster op verkenning uit, om een slaapplaats te zoeken. We vonden een hotel, en we zochten daar een kamer uit. Ons slaapvertrek was echter vol met handgranaten, maar als je die bommen niet aanraakt, kan het geen kwaad; wij sliepen er rustig en dachten niet aan die gevaarlijke dingen. ’s Morgens gingen we naar ons vorig hospitaal terug. Och, wat was dat daar treurig! Er was plaats voor 100 gewonden en er waren er nu wel 1000. De meesten lagen zoo op den grond; de kelders, zolders en buiten, in den tuin, alles lag vol, en een stank…. vreeselijk!! De meesten waren hier al 10 dagen, velen nog zonder verband, in hun uniform, uitgeput en verwaarloosd, terwijl de etter uit hun kleren droop…”

Weer thuis

Na vier Aambulance uitzendingen naar Servië, georganiseerd door het Servisch Comité, kwam zuster Westerhof in 1919 terug in Nederland, uitgeput en berooid. Ze vestigde zich in Amsterdam en ging werken als particulier verpleegster. In die periode bleef ze nauw verbonden met de organisatie van het Rode Kruis. Zo werd ze docente voor Rode Kruishelpsters in Amsterdam. Ook maakte ze carrière binnen de Amsterdamse Vrijwillige Burgerwacht, een paramilitaire organisatie die sinds 1918 in de grote steden sociale onrust moest voorkomen. Binnen deze organisatie wist ze als vrijwilliger op te klimmen van hopman tot een van de eerste vrouwelijke officieren. Haar drie medeofficieren waren trouwens ook verpleegsters.

Haar aanzien binnen de Vrijwillige Burgerwacht was groot. Op haar uniform prijkte namelijk een indrukwekkend aantal eremedailles. Tijdens haar werk in Servië was haar dappere optreden niet onopgemerkt gebleven. Van de Servische regering ontving ze de Zilveren Medaille voor Dapperheid, het Kruis met de Zwaarden en het Kruis van Barmhartigheid. In Nederland bleef men niet achter. In 1924 werd ze Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Allemaal zeer belangrijke onderscheidingen waarbij de hoogste onderscheiding voor verpleegkundigen, de Florence Nightingale Medaille, natuurlijk niet kon ontbreken.

Uitreiking van de Florence Nightingale Medaille (1935)

Op 23 mei 1935 ontving Ailke Westerhof het bericht dat ze de Florence Nightingale Medaille zou ontvangen. Ze woonde toen op Singel 548 te Amsterdam. Dat was het adres van het prestigieuze stadspaleis Huis Huydecoper. Die dag in mei was ze gewoon aan het werk. “Zuster is vanmorgen in dagverpleging gegaan”, antwoordde de directrice op de vraag waar zuster Westerhof was. Toen zuster Westerhof het nieuws vernam, reageerde ze met “dat is aardig. maar hoe weet ú dat zoo gauw?”. Daar had de boodschapper geen antwoord op.

Waarom de voordracht van het Nederlandse Rode Kruis zoveel jaren op zich liet wachten, vraagt om nader onderzoek. Volgens de voorschriften van het Internationale Rode Kruis moet de medaille opgespeld worden door een lid van het koninklijk huis of door de voorzitter van de landelijke Rode Kruisorganisatie. In dit geval zou Prinses Juliana de medaille opspelden. De uitreiking zou aanvankelijk plaatsvinden op het hoofdkantoor van het Rode Kruis, maar werd verplaatst naar een loods op Schiphol. Het bleek namelijk dat er die dag een demonstratie zou zijn van het Rode Kruisvliegtuig, de F VII B, waarbij prinses Juliana aanwezig was. En dus arriveerde zuster Westerhof op 20 juni 1935 in de stromende regen op Schiphol, prachtig gekleed in een smetteloos wit uniform met alle eremedailles erop.

In haar toespraak aan zuster Westerhof las prinses Juliana de motivatie voor die het Internationale Rode Kruis had doen besluiten om de aanvraag te honoreren. Deze hoge onderscheiding viel Ailke Westerhof ten deel vanwege haar “werkelijk buitengewone offerzin, moed en bekwaamheid” in de periode 1913-1920. In alle dagbladen en ook in het Tijdschrift voor Ziekenverpleging werd uitvoerig aandacht besteed aan de plechtigheid op Schiphol en aan de verpleegster die zo’n hoge onderscheiding mocht ontvangen. In sommige artikelen werd ze de ‘Nederlandse Florence Nightingale’ genoemd.

Ailke’s overlijden (1946)

Vanwege gezondheidsklachten stopte Ailke Westerhof in 1942 met werken en trok ze zich terug in haar geboortedorp Leens, waar ze bij haar broers en zussen inwoonde. Het gemeentebestuur van Leens was zich goed bewust van haar beroemde inwoonster en vernoemde nog tijdens haar leven de straat waar haar geboortehuis staat tot de Zr. A. Westerhofstraat.

Op 4 september 1946 stierf Ailke Westerhof op 70-jarige leeftijd. Wederom was er in de dagbladen veel aandacht voor haar overlijden en werden haar heldendaden opnieuw breeduit vermeld. Zuster Westerhof ligt begraven op de begraafplaats te Leens. Na haar dood werd haar geboortehuis, de smidse, verklaard tot rijksmonument, waarbij de inrichting nog vrij authentiek is gebleven.

Ook zijn er twee karakteristieke portretten van haar bewaard gebleven, waarvan de bekendste geschilderd is in 1918 door de Groningse kunstschilder Bartele Peizel (1887-1974). Dit schilderij is in 2018 geveild en ondanks een bod van de kant van het Florence Nightingale Instituut is het niet gelukt het te kopen. Het schilderij hangt nu in het Groninger Museum.

Bronnen en literatuur

  • Nederlandse draagsters van de Florence Nightingale Medal van het Internationale Rode Kruis (door E. H. Müller)
  • Oorlogsverpleging door A. W. (Maandblad voor Ziekenverpleging, 1 februari 1913, 23ste jaargang No. 3)
  • Oorlogsherinneringen van Zr. A. Westerhof (Tijdschrift voor Ziekenverpleging,  1 maart 1924, 34ste jaargang No. 5)
  • De eerste vrouwelijke burgerwacht-officieren in Uniform! (Het Leven, 1924)
  • Het Vaderland. Staat- en letterkundig Nieuwsblad (augustus 1924)
  • De eerste vrouwelijke burgerwacht-officieren in Uniform! (Het Leven, 1924)
  • Algemeen Handelsblad (juni 1935)
  • Het Vaderland. Staat- en letterkundig Nieuwsblad (mei 1935)
  • In Memoriam Zr. Ailke Westerhof (Tijdschrift voor Ziekenverpleging, september 1946)