De zoektocht naar medaille-kandidaten

Nederland was knap laat met het uitreiken van de eerste Florence Nightingale Medaille. In 1935 kreeg Ailke Westerhof hem en twee jaar later Adrie Schipper. Na de Tweede Wereldoorlog ontvingen maar liefst vijf verpleegsters in 1947 tegelijk de prestigieuze medaille. Maar hoe kwam het Rode Kruis tot de keuze van deze vijf? Een interessant inkijkje in de zoektocht naar kandidaten!

Dit boek gaat over de emancipatie van honderdduizenden vrouwen. De verpleging was vanaf 1850 lange tijd een van de weinige beroepen, waarmee ze een bestaan konden opbouwen. Zij verdienen het om een gezicht te krijgen. Met veel beeldmateriaal, kaders met interessante weetjes, voorzien van noten en literatuur, vertel ik in dit boek de meeslepende geschiedenis van een onmisbare beroepsgroep.

Officiële motivering door het Internationale Rode Kruis

Met spoed op zoek

Tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 wilde het Nederlandse Rode Kruis geen medaille uitreiken, want dat conflicteerde met hun neutrale status. Stel je voor dat een Duitse verpleegster aanspraak op de medaille zou maken! Eind 1946 kwam daar met een rondschrijven van het Internationale Comité van het Rode Kruis verandering in. De 11de toekenning van de Florence Nightingale Medaille zou plaatsvinden op 12 mei 1947. Dat betekende dat er met spoed kandidaten gezocht moesten worden. Op 11 december 1946 stuurde het dagelijks bestuur van het Rode Kruis een brief naar alle kringcommissarissen met het verzoek vóór 1 maart 1947 met een voordracht van kandidaten te komen. In de brief benadrukte de directie dat er tijdens de oorlogsjaren vast en zeker verpleegsters en helpsters onder moeilijke omstandigheden gewerkt hadden, maar dat het in het geval van een voordracht voor de medaille moet gaan om kandidaten ‘die zich op werkelijk uitzonderlijke wijze’ verdienstelijk hadden gemaakt. Voor de zekerheid stuurde men het officiële reglement nog mee.

Insigne van de Vereniging Het Wit-Gele Kruis

Een merkwaardige keuze

Er stond flink druk op de ketel, want uiterlijk 1 februari 1947 moest de voordracht voor nieuwe kandidaten  binnen zijn. Waar stuur je dan zo’n belangrijke brief naartoe, vraag je je af. Naar de Vereniging voor Ziekenhuizen, verpleegkundige beroepsorganisaties, verpleegorganisaties of naar vakbonden? Behalve naar de landelijke Rode Kruis afdelingen ging de brief ook naar vijf organisaties die op het terrein van de verpleging werkzaam waren: het Convent van de Orde van St. Jan, de katholieke Balije Nederland van de Souvereine Orde van Malta, de Algemeene Nederlandsche Vereeniging ‘Het Groene Kruis’, de katholieke Nationale Federatie ‘Het Wit-Gele Kruis’ en de Nationale Bond van Verplegenden. Waarom de keuze juist op deze vijf viel, is onduidelijk maar lijkt een beetje op vriendjespolitiek, ook al hielden ze zich allemaal op de een of andere manier met wijk- en thuisverpleging bezig. De eerste twee waren vrij onbekende organisaties en de Nationale Bond was een van de kleinste beroepsorganisaties. De brief met het verzoek om namen van kandidaten ging ook naar Suriname en Curaçao maar kwam te laat aan.

Het Pulchri gebouw in Den Haag

Op de valreep

Na het versturen van de brief met een verzoek om kandidaten voor te dragen, druppelden de voordrachten binnen. Vooral de Kruisverenigingen lieten zich niet onbetuigd, met het Limburgse Groene Kruis als koploper. Maar liefst achttien wijkverpleegsters stonden op hun lijst, waarvan er uiteindelijk drie gehonoreerd zouden worden. Broeder Prosper van de Orde van Malta reageerde met een uitbreide brief dat ze wel meer dan honderd helpsters als kandidaat konden voordragen, maar dat de ‘nonnetjes niet voor een onderscheiding in aanmerking wenschen te komen’. Toch zou hij het wel op prijs stellen als er één religieuze onderscheiden zou worden. Hij kreeg deels zijn zin. Een van de genomineerden was inderdaad een religieuze, zij het niet van de Orde van Malta maar van de lijst van het Limburgse Groene Kruis.

Op 28 februari, op de valreep dus, stuurde het Nederlandse Rode Kruis de namen van vijf potentiële kandidaten naar Genève. Begin mei volgde het telegram van het Internationale Comité met de beslissing. Na bestudering van de bijlagen waren alle vijf de kandidaten goedgekeurd. Op 12 mei 1947 zouden hun namen officieel bekend gemaakt worden en konden drie wijkverpleegsters en twee Rode Kruis helpsters de Florence Nightingale Medailles tegemoet zien. Op 2 juli ontvingen de vijf gelukkigen de brief met de officiële uitnodiging om op vrijdag 18 juli in het gebouw van de Pulchri Studio te ’s-Gravenhage de medaille in ontvangst te nemen uit handen van prinses Juliana.

De Florence Nightingale Medaille met kleine draagmedaille

Hoe feestelijk was de uitreiking?

In het Handboek van de Florence Nightingale Medaille staat nadrukkelijk dat de uitreiking een feestelijk karakter moet hebben. Of dat in 1947 het geval was, is nog maar de vraag. De uitreiking had nogal wat voeten in de aarde vanwege de volle agenda van prinses Juliana. Het zou eerst plaatsvinden om 16.00, maar werd twee dagen later op verzoek van prinses Juliana vervroegd naar 11.30. Na nog een aanpassing vanwege het drukke programma van de prinses werd het uiteindelijk 11.00, voor Leintje Jobse, een van de winnaressen uit Zeeland bepaald geen gemakkelijk tijdstip.

Treurig was de beperking van het aantal familieleden van de vijf winnaressen. Een van de kandidaten vroeg nederig of een vriendin mee mocht komen, wat niet mogelijk was. Moeder Bloem, die een gezin met tien kinderen had en wier dochter Rie Bloem de medaille postuum zou krijgen, vroeg vriendelijk of het hele gezin mee mocht komen vanwege de uitzonderlijke situatie. Dat werd afgewezen en uiteindelijk kwam het gezin Bloem met zes personen. Opvallend was ook de afwezigheid van bekende vertegenwoordigers uit de verpleegkundige wereld. Wisten ze het niet of waren ze niet uitgenodigd? Wel aanwezig was Adrie Schipper, ook draagster van de medaille. Ailke Westerhof, de eerste winnares, was in 1946 overleden.

Er waren ook afmeldingen. Een hele slechte beurt maakte de burgemeester van Nederweert, uit wiens gemeente Regina Esser, een van de vijf kandidaten, kwam. Hij had het te druk en schreef ‘als ik haar tegenkom, zal ik haar feliciteren’. Er was overigens wel plek voor 130 hoge vertegenwoordigers van de Rode Kruis organisaties uit Zwitserland, België en Luxemburg en aanverwante organisaties.

Toen iedereen goed en wel in de zaal zat, kwam de prinses binnen en kon de plechtigheid beginnen. Op de voorste rij zaten Leintje Jobse, Regina Esser, Lenie Verheul en zuster Stephania. Rie Bloem was in 1944 overleden ten gevolge van oorlogshandelingen. Haar vader nam de medaille in ontvangst.

Twee van de vijf dappere dames, Rie Bloem en Lenie Verheul, zijn in eerdere Bulletins al herdacht, deze keer staat Regina Esser centraal.

Literatuur

  • De mens achter de medaille. 100 jaar Rode Kruis-onderscheidingen (Uitgave NRK, 2014)
  • Nederlandse draagsters van de Florence Nightingale Medal van het Internationale Rode Kruis door E.H. Müller
  • De Florence Nightingale Medaille door J. H. Prinsenberg (1985)
  • Handbook of the International Red Cross and Red Crescent Movement (Fourteenth Edition, 2008)