De identiteit van de Z-verpleegkundige

Gediplomeerden insigne Federatieve Opleiding Zwakzinnigenzorg, vanaf 1978
Zorgen voor mensen met een verstandelijke beperking is van alle tijden, net als het verplegen van zieken. Het gaat om mensen met beperkte verstandelijke vermogens, een kwetsbare groep die niet of moeilijk voor zichzelf kan zorgen. Voor hen moeten wij dus zorgen. Dat doen momenteel zo’n 30.000 verpleegkundigen en verzorgenden.
Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw bleven zwakzinnigen, zoals de groep lang genoemd werd, net als krankzinnigen, meestal thuis waar de eigen familie of religieuze zusters hen verzorgenden. Een bijzondere vorm van gezins- of thuiszorg was bijvoorbeeld het Belgische Geel, waar eeuwenlang ‘zwakken van geest’ zijn opgevangen bij gezinnen thuis. Er waren ook kostgezinnen die ‘zwakzinnigen’ in huis namen om ze in te zetten om allerlei klusjes te doen, waarbij misbruik op de loer lag. Voor diegenen die een gevaar voor zichzelf of voor anderen vormden, waren er dolhuizen, uiteraard geen aantrekkelijk alternatief. In alle situaties was ‘oppassen en bewaking’ het uitgangspunt.

Leerling-insignes van Huize Boldershof (ca.1960). Rood: 1ste jaars, blauw 2de jaars en groen, 3de jaars leerlingen
’s Heeren Loo in Ermelo
In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden gestichten voor psychiatrische patiënten, waar ook ‘zwakzinnigen’ een onderkomen kregen. Van het verzorgend personeel in deze gestichten werd verwacht dat ze ‘zachtmoedig, vriendelijk en tactisch’ waren. Onder invloed van de medische wetenschap verschoof het doel van ‘oppassen en bewaking’ naar verbetering of zelfs genezing. Veel patiënten bleken niet te genezen en door het groeiend aantal opnames raakten de gestichten overvol. Psychiaters pleitten daarom voor aparte opvang voor mensen met een verstandelijke beperking.

Z-verpleegkundige Cornelia Pielkenrood begeleidt spelende kinderen
Na de oprichting van de ‘Vereeniging tot opvoeding en verpleging van geesteszwakke kinderen’ (1890) kwamen er diverse inrichtingen speciaal voor deze groep. In 1891 opende de protestantse instelling ’s Heeren Loo in Ermelo de poorten. Deze inrichting was als eerste in Nederland specifiek op ‘idioten’ gericht, terwijl ook voldaan werd aan de eisen voor een geneeskundig gesticht. Er volgden meer instellingen waar opvoeding en onderwijs centraal stonden, zoals o.a. Lozenoord, de Dr. Mr. Willem van den Bergh-Stichting, Huize Boldershof, Huize Assisië, Groot-Schuylenburg en Huize Maria Roepaan. Ze richtten zich meestal eerst alleen op kinderen, maar al snel ook op volwassenen. Orde, rust en regelmaat waren van belang voor een evenwichtige leefwijze. Arbeid had een heilzame invloed en volwassen bewoners leverden een bijdrage aan de dagelijkse werkzaamheden in de inrichting. De herziening van de Krankzinnigenwet in 1904 maakte vrijwillige opname mogelijk, maar opvang thuis bleef tot in de jaren ‘50 belangrijk. In 1955 zijn er zestien inrichtingen waar mensen met een beperking verzorging krijgen.

ADO speelgoedauto
Opvoeding en arbeid
De mogelijkheden voor buitengewoon onderwijs namen in de eerste helft van de 20e eeuw toe. Als gevolg daarvan hadden ouders minder reden om hun ‘achterlijke’ kinderen naar een inrichting te sturen. In die instellingen daalde daardoor het ‘verstandelijk peil der nieuw-opgenomen leerlingen’. Het lespakket binnen inrichtingen verschoof van ‘gewichtige leerboekenwijsheid’ naar handenarbeid. Onderwijzers gaven oefeningen in groepsverband en op muziek, waarbij ze rekening hielden met de mogelijkheden van de leerlingen. Ook de fijne motoriek kreeg aandacht. Mattenvlechten, weven, kousenstoppen en plantjes verspenen zouden een positieve invloed hebben. Bekend werd het ADO kinderspeelgoed, dat in de jaren ’30 gemaakt werd in de sociale werkplaats van Berg en Bosch bij Apeldoorn. Het ADO speelgoed – Arbeid Door Onvolwaardigen – was erg populair vanwege de felle kleuren en strakke lijnen.

Diploma Zwakzinnigenzorg van Johanna Raben (1962)
De eigen identiteit van de Z-verpleging
De vraag is nu wie de ‘zwakzinnigen’, behalve de eigen familie, verzorgden. Vanaf 1921 was de B-opleiding voor het verplegen van psychiatrische patiënten wettelijk geregeld. Daar viel ook de verzorging en verpleging van ‘zwakzinnigen’ onder. Na de Tweede Wereldoorlog was er een groot tekort aan opvangplekken voor deze groep en ontstond er behoefte aan een aparte opleiding. In 1957 startten een aantal directeuren van zwakzinnigeninrichtingen met het initiatief. Leerling-verpleegkundigen konden een interne opleiding volgen, gebaseerd op medische inzichten. Er kwam een leerplan met aandacht voor zowel de medisch-psychiatrische als pedagogische- en verpleegkundige aspecten. In 1961 ontvingen de eerste verpleegkundigen het Z-diploma. Maar het moest professioneler. En dus begon de Internationale Werkgroep Z-erkenning in 1973 met de voorbereiding van een regeling voor de Z-opleiding. Het leerplan van de Z-opleiding werd met de Regeling Opleiding Diploma Z-Verpleegkundige in 1978 bekrachtigd en gold de officiële erkkning van het diploma met terugwerkende kracht tot 1961. De Z-opleiding was op dezelfde manier georganiseerd als de A en de B, namelijk via het Inservice-systeem. Het theoretisch onderwijs bevatte op dat moment 480 lesuren, met veel aandacht voor somatische en agogische vakken.

De ‘cola dop’, nieuw insigne voor Z-verpleegkundige (1976)
Professionalisering van de Z-verpleegkundige
Aangezien hun opleiding relatief laat tot stand kwam, waren creativiteit en improvisatie sleutelbegrippen voor Z-verpleegkundigen. Liefde voor mensen – en met name voor kwetsbare groepen – deed de rest. Z-verpleegkundigen beschrijven hun werk als zinvol en zwaar. Zinvol, omdat ze angst en eenzaamheid in ieder geval deels weg kunnen nemen en veiligheid kunnen bieden. Hierdoor kunnen cliënten veranderen in ongecompliceerde en blije mensen. Zwaar omdat er een grote verantwoordelijkheid op hun schouders rust en het werk vaak lichamelijk inspannend is. Dat vroeg ook om verdieping van het vakgebied en meer aandacht voor leidinggevende posities.
In 1979 opende de Katholieke Hogere School voor Verpleegkunde (KHSV) in Nijmegen de mogelijkheid om een kaderopleiding te volgen voor leidinggevende functies in de zwakzinnigenzorg. Deze parttime opleiding omvatte 502 lesuren met vakken als organisatiekunde, managementprocessen, orthopedagogiek en agogiek. De cursus werd afgesloten met een scriptie en een mondeling examen.
In 2004 constateerde de toenmalige beroepsvereniging ‘Werveling’ dat cliënten met een verstandelijke beperking twee keer zo veel medische problemen hebben als de rest van de bevolking. Tegelijkertijd constateerde men dat de ‘medische blik’ langzaamaan uit de zwakzinnigenverpleging was verdwenen. Mensen met diverse soorten agogische opleidingen hadden hun intrede gedaan. ‘Werveling’ pleitte voor de inzet van gespecialiseerde verpleegkundigen vanwege de complexe gezondheidsproblemen van de doelgroep.
Inmiddels gaat Werveling door het leven als ‘V&VN Verstandelijk Gehandicaptenzorg’ en zijn in 2025 ruim 30.000 verpleegkundigen en verzorgenden in de sector werkzaam.
Literatuur
- Zin der zotheid. Vijf eeuwen cultuurgeschiedenis van zotten, onnozelen en zwakzinnigen door Inge Mans
- Gezinsverpleging van geesteszieken te Geel door M. H. Koyen
- Armen van geest door Theo Jak
- Om het geluk van de zwakzinnige. De geschiedenis van Dennendal, 1969-1994 door J.J. Dankers en A.A.M. van der Linden



